loading
views

ABU en UvA: de rol van uitzendarbeid bij transities op de arbeidsmarkt

ABU

21 juni 2012

Hoe kan uitzendarbeid meer werkzoekenden aan werk helpen? ABU pleit voor duurzame flex.

Opleiden en duurzaam competenties van flexkrachten ontwikkelen, is nodig om als uitzendorganisatie in de huidige arbeidsmarkt een belangrijke rol te blijven spelen. Dat bleek tijdens het congres van ABU en UvA over de rol van uitzendarbeid bij transities op de arbeidsmarkt, gehouden op 19 juni in Felix Meritis te Amsterdam.

Het was het negende congres van de ABU in samenwerking met UvA’s Flex Work Research Centre. Onder de circa 180 deelnemers waren vertegenwoordigers van de overheid, de sociale partners, uitzendorganisaties, universiteiten en onderzoeksinstituten. Dagvoorzitter was mr. Annemarie Muntz, voorzitter Eurociett.

Vier vooraanstaande wetenschappers presenteerden op het congres hun onderzoeksresultaten.

> Bekijk het programma

Hier volgt een samenvatting van de presentaties.

Naar een nieuw Dutch Design van de arbeidsmarkt
Prof. dr. Ton Wilthagen
Tilburg University – ReflecT, Instituut voor Flexicurity

Wilthagen pleit voor een nieuw Dutch Design voor de arbeidsmarkt.
We hebben een hoge productiviteit, maar de groei neemt af en het innovatievermogen van de Nederlandse economie is gering. We kennen relatief lage werkloosheidscijfers, maar worden op dit punt al ingedaald door een aantal Europese landen. Het ontbreekt aan een businessmodel om jeugdige en langdurig werklozen te betrekken bij de arbeidsmarkt. Het volledige spectrum van arbeidsvormen wordt onvoldoende benut. Ouderen worden uit de markt geprijsd en jongeren worden onderbetaald. We willen dat ouderen langer doorwerken, maar momenteel ‘werkt’ dat alleen voor vrouwen en zeker niet voor mensen in zware beroepen. De contractvorm waarop mensen werken is nog zeer bepalend voor hun arbeidsvoorwaarden en ontwikkelingsmogelijkheden. Instituties trekken ‘hun been niet bij’, waardoor er een tweedeling ontstaat en schijnconstructies toenemen. De contractuele diversiteit is groter geworden, maar mensen hebben nog te weinig autonomie en regie over werktijd en arbeid/zorg. De mobiliteit is relatief laag en de intersectorale mobiliteit onderontwikkeld. We zouden, zo resumeert hij, meer uit moeten gaan van een inclusieve arbeidsmarkt, de tweedeling terugbrengen en moeten zorgen voor flexicurity.

Flexibele werkvormen en employability arrangementen in het kader van flexicurity
Dr. Hedwig Vermeulen
Sector Zorg, Arbeid en Samenleving van het ITS

Vermeulen heeft de flexibele werkvormen onderzocht in de periode 2001-2011. Ze ziet een duidelijke verandering in de flexibele schil. Tussen 2001-2006 was de totale flexibele schil 32%, waarvan 16% uitzendkrachten. In 2007-2011 was die totale schil nog maar 4%, waarvan -22% uitzendkrachten.
Zij komt tot de conclusie dat veel uitzendkrachten een volgende baan vinden. In de periode 2007-2009 is dit echter afgenomen. Uitzendkrachten die na hun uitzendbaan in een uitkeringssituatie komen, komen daarna vaak weer in een volgende uitzendbaan. Mensen zonder startkwalificatie en met een laag loon hebben minder kansen op de arbeidsmarkt. In de afgelopen jaren is het aantal overige flexibelen in verhouding toegenomen. Daarbij gaat het om oproep- en invalkrachten, werknemers zonder vaste uren en tijdelijke krachten. Zij adviseert om de ‘overige flexibelen’ te stimuleren om opleidingen te volgen. Uitzendkrachten zouden in ieder geval een startkwalificatie moeten halen.

Flexibel werk en duurzame inzetbaarheid
Prof. dr. Andries de Grip
Rijksuniversiteit Maastricht – Research Centre for Education and the Labour Market (ROA)

Ook De Grip maakt duidelijk dat de uitzendsector zich druk moet maken om duurzame inzetbaarheid vanwege de toenemende dynamiek op de arbeidsmarkt. Sectoren en functies verschuiven snel. Daardoor verouderen competenties ook sneller. De vraag naar key-skills neemt toe en de eisen aan het opleidingsniveau nemen toe. Duurzame inzetbaarheid vereist dat mensen hun leven lang blijven leren. Lager opgeleiden, 50-plussers, ontslagwerklozen en flexwerkers lopen risico op een toenemende afstand tot de arbeidsmarkt. De (bij)scholing van flexwerkers raakt achter vergeleken met de (bij)scholing van vaste medewerkers. Mensen met een vast contract krijgen meer opleidingskansen dan flexwerkers. Werkgevers investeren in de opleiding van hun vaste krachten, terwijl flexwerkers niet worden bijgeschoold of verhoudingsgewijs vaker hun eigen opleiding betalen. Daardoor verliezen flex- en uitzendkrachten en dus op termijn ook de uitzendondernemingen aan concurrentiekracht. Uit onderzoek naar het effect van scholing in een Call Center blijkt dat een 5-daagse training al kan leiden tot een productiviteitsstijging van circa 10%. Investeren in personeel bevordert de personeelsbetrokkenheid en is goed voor het imago van het bedrijf. Het vergroot de concurrentiekracht op afzetmarkt en arbeidsmarkt.
De Grip pleit in het kader van duurzame inzetbaarheid voor de volgende oplossingsrichtingen:
– Regionale samenwerking van bedrijven. Sectorale samenwerking met een rol voor O&O fondsen.
– Langere tijdelijke contracten, die worden ingericht als een werkleercontract.

Diversificatie van de uitzendsector: Transities en interventies
Dr. Els Sol
Universiteit van Amsterdam, AIAS

De uitzendsector is een volwassen sector geworden die nieuwe markten opzoekt. De sector neemt een grotere rol bij meerdere soorten transities, is actief op meerdere soorten intermediaire markten zowel ‘van werk naar werk’, ‘school naar werk’ en ‘niet werk naar werk’.
Bij transities van ‘niet werk naar werk’ blijken uitzenders een kortere tijdshorizon te hebben dan niet-uitzendondernemingen. Uitzenders plaatsen werkzoekenden of bijstandsgerechtigden verhoudingsgewijs sneller, maar er is een lichte tendens naar afroming. De aanpak is vooral gericht op bemiddelingsinstrumenten en minder op voorbereiden en ontwikkelen dan bij niet-uitzendondernemingen. Instrumenten voor duurzame inzetbaarheid zoals scholing voor werk, worden minder ingezet, waardoor het effect van de transitie naar de arbeidsmarkt van kortere duur is.

Discussie
Tijdens de afsluitende discussie met het panel stond het onderwerp Opleiding en de noodzaak van duurzame flexarbeid centraal. Ton Wilthagen merkte op dat bij de sociale partners al te lang discussie wordt gevoerd over de financiering van scholing: moet die financiering op nationaal, regionaal of (inter)sectoraal niveau plaats vinden? In het kader van een innovatief Dutch design voor de arbeidsmarkt denkt hij bijvoorbeeld aan persoonsgebonden vouchers ten behoeve van het persoonlijk opleidings- en ontwikkelingsbudget, desnoods een goldcard voor vaste werknemers en een silvercard voor flexkrachten. In ieder geval pleit hij vurig voor een oplossing die de tweedeling minder groot maakt en die door werkenden en werkzoekenden ook flexibel in te zetten is. Laaggeschoolden zullen wel moeten worden begeleid bij een persoonlijk opleidingsbudget, zodat zij opleidingen volgen die daadwerkelijk aansluiten bij de vraag uit de markt, zo werd opgemerkt in het publiek.
Tevens werd opgemerkt dat de bedoeling van de Flexwet indertijd was om te zorgen voor doorstroming naar vaste contracten. Inmiddels is de arbeidsmarktsituatie zodanig veranderd, dat die doelstelling is achterhaald. In hoeverre zijn de transities die de uitzendsector nu tot stand brengt voldoende om de toekomstige rol goed in te kunnen vullen? De stepping stone functie van de uitzendsector neemt af. Hoe vindt de uitzendsector haar nieuwe rol binnen de arbeidsmarkt? Dat is de vraag die dit congres oproept.

Bron: ABU en UvA, 19 juni 2012

Gerelateerd nieuws


Meer uit deze rubriek