loading
views

Verplichtstelling ABU CAO en uitzendpensioenfonds StiPP op basis van discutabele cijfers?

Lees meer over Martin Pikaart

28 maart 2012

Verplichtstelling ABU CAO en uitzendpensioenfonds StiPP op basis van discutabele cijfers?

Column door Martin Pikaart
Voorzitter AVV (Alternatief Voor Vakbond) en auteur De pensioenmythe

Nu de algemeen verbindend verklaring van de ABU CAO over een week afloopt, wil ik nog eens kijken naar de procedures die daaraan ten grondslag liggen. Om het beeld compleet te krijgen neem ik meteen de vergelijkbare procedure voor de verplichtstelling van StiPP, het pensioenfonds voor de uitzendbranche, mee. De conclusies geven te denken.

Zowel de algemeen verbindend verklaring (avv) van de ABU CAO als ook de verplichtstelling van StiPP berusten op cijfers waaruit blijkt dat de avv respectievelijk de verplichtstelling niet afgegeven had mogen worden, omdat er vragen kunnen worden gesteld bij de bronnen voor de cijfers. De partijen die het verzoek indienen voor de ABU CAO zijn de ABU en aan vakbondszijde FNV Bondgenoten, CNV Dienstenbond en de Unie. Bij StiPP zijn dat dezelfde partijen, aangevuld met werkgeversorganisatie NBBU.

Wat is de uitgangssituatie?
Partijen moeten bij hun verzoek tot avv respectievelijk verplichtstelling aantonen dat ze een ‘belangrijke meerderheid’ van de werknemers in de sector vertegenwoordigen [1]. Dat werkt als volgt. Partijen moeten aangeven hoeveel werknemers er in de sector werken, dit is de noemer van de representativiteitsbreuk. Ook moeten ze aangeven hoeveel werknemers er in dienst zijn bij de werkgevers die aangesloten zijn bij de ABU (in het geval van de ABU CAO) respectievelijk bij ABU en NBBU (in het geval van StiPP), dit is de teller. Als deze verhouding meer is dan 60 %, krijgen ze de gewenste avv respectievelijk verplichtstelling zonder meer. Indien de verhouding tussen de 55 % en de 60 % ligt, geldt dit alsnog als belangrijke meerderheid, tenzij de verdeling erg scheef [2] is of er weinig draagvlak is [3]. Onder de 55 % betekent: geen belangrijke meerderheid. Dan vindt er in principe geen avv respectievelijk verplichtstelling plaats, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden.

Vanwege het grote belang van zowel avv als verplichtstelling, legt de minister allerlei nadere regels [4] op aan de gebruikte cijfers voor de werknemersaantallen in de teller en de noemer van deze breuk. Zo mogen de cijfers in beginsel niet ouder zijn dan één jaar. Het verzoek dient een toelichting te bevatten hoe men aan de cijfers is gekomen. In alle gevallen waar bedenkingen worden ingebracht tegen het verzoek, dienen partijen een accountantsverklaring aan te leveren over de correctheid van de gebruikte werknemersaantallen. So far, so good.

Hoe werkt dit nu in de praktijk? Eerst de CAO
Partijen leveren de volgende cijfers aan bij hun avv-verzoek [5] gedateerd 5 april 2011. ABU noemt niet hoeveel werknemers in dienst zijn van één van de bij ABU aangesloten organisaties. ABU levert alleen een getal aan in full time equivalents, namelijk 132.216 fte. Deze cijfers zijn verkregen door de aantallen gewerkte uitzenduren te delen door 2080 uur [6], volgens de ABU is dit het standaard aantal uren dat CBS hanteert voor een voltijdequivalent. Hier worden geen aantallen werknemers aangeleverd, zoals de Wet AVV en het AVV Toetsingskader [7] beide vereisen, maar aantallen fte.
Vervolgens geeft de ABU aan, dat het aantal fte in de hele sector 206.761 fte bedraagt, waarmee de representativiteit neer zou komen op 64 %. ABU heeft het aantal fte bepaald “op basis van ontwikkelingscijfers die CBS elk kwartaal publiceert”. Vervolgens is dit teruggerekend naar het aantal fte als voorheen.

Laten we nu eens kijken wat het echte aantal werknemers in de uitzendsector is. Dat aantal is namelijk bekend, omdat het door UWV wordt bijgehouden. UWV telt 410.001 werknemers in de uitzendsector in 2010 [8]. Heel andere aantallen dan waar ABU mee rekent. Als we nu de aantallen fte van ABU opvatten als werknemersaantallen, komt ABU uit op een representativiteit van 34 %. Zelfs als we een veel gebruikte wegingsfactor meenemen, waarbij 1 werknemer staat voor 0,7 fte, dan nog komt ABU niet verder dan een representativiteit van 46 %. Bij lange na geen belangrijke meerderheid, niet eens een meerderheid. En dan zijn in deze cijfers nog niet eens de illegale uitzendkrachten meegenomen.

De ‘Praktische handreiking voor het opstellen van een representativiteitsopgave [9]’ die het Ministerie van SZW heeft opgesteld is echter zeer helder: cijfers van het UWV zijn als valide aan te merken, en tot enkele jaren geleden gebruikte ABU deze ook als vanzelfsprekend in de representativiteitsopgave. De Minister is bovendien goed op de hoogte van de problematiek van de representativiteit. Toen Minister Kamp nog gewoon Kamerlid was, heeft hij zelfs gevraagd [10] welke bron de meest betrouwbare cijfers levert, juist “om de objectiviteit en betrouwbaarheid van het representativiteitscijfer in de toekomst te verbeteren”. Hierop antwoordde de toenmalige minister van SZW: “De informatie die het GAK [11] kan leveren over werknemersaantallen is in hoge mate betrouwbaar.”

Echter, sinds er scherper gelet wordt op deze cijfers, is ABU overgestapt van de betrouwbare echte tellingen van werknemers door UWV op de door ABU zelf bewerkte ontwikkelingscijfers van het CBS. En dat terwijl CBS [12] eigener beweging meldt dat de cijfers zijn “gebaseerd op steekproefonderzoek waarbij sprake is van een zekere onbetrouwbaarheidsmarge”. Bovendien geeft CBS alleen ontwikkelingscijfers en geen absolute aantallen. Bij navraag [13] geeft CBS aan, geen absolute aantallen te publiceren omdat CBS “niet volledig achter de totalen staat. De cijfers zijn niet betrouwbaar genoeg om naar buiten te brengen”. Het zijn juist deze cijfers die ABU gebruikt, en vervolgens nog eens bewerkt.

De boven genoemde Praktische handleiding noemt het CBS niet eens als valide bron. Weliswaar zijn cijfers van het CBS te gebruiken, maar alleen “voorzover die betrekking hebben op werknemers”. Kortom, de representativiteitsgegevens zoals aangeleverd door ABU – en die de basis vormen voor een stevige machtspositie – voldoen niet aan de basale eisen die eraan gesteld worden door het Ministerie.

De Minister maakt er echter nauwelijks woorden aan vuil in het besluit [14] tot avv van de ABU CAO gedateerd 11 juli 2011 en stelt slechts, dat “de ingebrachte bedenkingen in afdoende mate namens CAO-partijen zijn weerlegd”.

Ook een grote discrepantie zit in de genoemde aantallen uitzendbureaus. In de representativiteitsopgave stelt ABU dat er 5.962 vestigingen zijn in de gehele uitzendsector. Recent echter stelde een bestuurslid van StiPP dat er wel 10.000 tot 15.000 uitzendbureaus zijn [15]. We kunnen ervan uitgaan dat de meeste hiervan bonafide zijn [16] en dus meegeteld hadden moeten worden. Doorgaans heeft een uitzendbureau ook nog meerdere vestigingen. In dezelfde lijn zijn zeer recente berichten op de ABU-site [17], dat er op jaarbasis wel 700.000 uitzendkrachten actief zijn. Nog eens bijna twee keer zoveel als het UWV er telt.
Het moge duidelijk zijn dat als de uitzendkrachten van al deze uitzendbureaus ook meegenomen worden in de berekeningen, de representativiteit van de ABU nog veel lager zal komen te liggen dan de 46 % die het in het gunstigste geval is.

Nu de cijfers voor StiPP
Het verzoek tot verplichtstelling dateert van 20 juni 2008. Ook hier worden geen werknemers genoemd maar fte’s, afkomstig van bewerkte CBS gegevens. StiPP stelt [18] dat het aantal “uitzendkrachten op full-time basis die jaarlijks krachtens uitzendovereenkomst arbeid verrichten” 206.900 bedraagt, en het aantal daarvan in dienst van de ABU 132.900. Hiermee zou de representativiteit uitkomen op 64 %. Ook nu kunnen we het aantal werknemers nemen zoals UWV dat telt over 2007, namelijk 349.772 [19]. Als we 1 fte als 1 werknemer rekenen levert dit een representativiteit op van 38 %. Nemen we wederom de vaak gebruikte wegingsfactor 0,7 mee, dan zou de representativiteit uitkomen op 54 %. Onvoldoende voor een belangrijke meerderheid.
Ook hier neemt het ministerie van SZW zonder enige onderbouwing de berekening van StiPP over [20].

Hier komt nog iets bij. In eerdere columns [21] schreef ik dat de pensioenregeling van StiPP zo beroerd is, zulke hoge administratiekosten heeft en zo’n lage gemiddelde inleg, dat werkgevers en werknemers hun premie in feite in een zwart gat storten. StiPP erkent dit nu zelf ook in zijn Jaarverslag 2010, waar te lezen valt [22]: “In 2010 is actie ondernomen om inzicht te krijgen in de mogelijkheden voor de toekomst van het basispensioen. Het basispensioen wordt binnen het fonds ervaren als een kostentechnisch relatief dure regeling die slechts in weinig gevallen daadwerkelijk resulteert in pensioenopbouw.” Des te meer reden voor StiPP om met enige bescheidenheid te opereren.

StiPP is daarentegen bezig zijn werkgebied uit te breiden naar detacheringsbedrijven. De vraag is of de verplichtstelling hiervoor wel een basis geeft. Detacheringsbedrijven werken vaak niet met uitzendovereenkomsten, maar hebben hun personeel in vaste dienst op basis van een arbeidsovereenkomst. Detacheringsbedrijven kunnen daarom mogelijk helemaal niet aangemerkt worden als uitzendonderneming zoals omschreven in de verplichtstelling. Daarbij komt nog dat de positie van deze werknemers volledig anders is dan die van uitzendkrachten, voor wie StiPP is opgericht. Niet alleen zijn zij zoals gezegd in vaste dienst en hebben zij niet te maken met korte contracten zoals uitzendkrachten, ook gelden voor hen doorgaans veel betere arbeidsvoorwaarden, waaronder doorgaans een pensioenvoorziening. StiPP is echter bang voor de effecten van het principe ‘geen premie, wel aanspraak’ dat in 2007 in de nieuwe Pensioenwet is gekomen [23]. Dit principe houdt in dat werknemers voor wie geen premie is afgedragen maar die wel onder de werkingssfeer van het pensioenfonds zouden vallen, toch recht hebben op aanspraken. StiPP denkt er nu slim aan te doen om alvast detacheringsbedrijven aan te schrijven en ze te verplichten tot aansluiting. Dit is vragen om problemen. Als er namelijk vast komt te staan dat alle detacheringsbedrijven onder de werkingssfeer vallen, dan is StiPP vermoedelijk per direct failliet. Elke gedetacheerde kan dan namelijk met terugwerkende kracht zijn aanspraken opeisen, bijvoorbeeld om de aanspraken te laten overdragen aan zijn nieuwe pensioenfonds. Het gaat hier vermoedelijk om een veelvoud van wat StiPP nu aan verplichtingen op de balans heeft staan, simpelweg omdat de detacheringsmarkt erg groot is, denk aan de ICT, juridische dienstverlening en de zorg, en omdat de salarissen er doorgaans een factor twee of drie hoger liggen dan in de uitzendsector. Nu reserveert StiPP al 6 % van de netto beschikbare premie voor dergelijke aanspraken [24] . StiPP zou er slimmer aan doen het adagium schoenmaker-blijf-bij-je-leest te volgen.

De hamvraag
Als de avv van de ABU CAO en de verplichtstelling van StiPP tot stand zijn gekomen op basis van discutabele cijfers, waarom werkt het Ministerie van SZW hier dan aan mee?

Voetnoten
[1] Wet AVV artikel 2 lid 1 cq. Wet Verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds artikel 2 lid 1.
[2] Bijvoorbeeld in de verhouding grote werkgevers versus kleine werkgevers onder de aanvragende werkgeversorganisaties.
[3] Bijvoorbeeld als niet alle betrokken vakbonden de CAO hebben getekend.
[4] Toetsingskader AVV, 1 januari 2007 en Beleidsregels Toetsingskader Wet BPF 2000, 1 januari 2012.
[5] www.pensioenmythe.nl//2011/05/representativiteitsgegevens-ABU-CAO-2011.pdf
[6] Partijen beweren voorts dat dit aantal een onderschatting betreft, omdat ze niet alle ABU leden hebben meegenomen. Dit wordt echter niet onderbouwd door deze gegevens. De niet meegenomen ABU leden kunnen bijvoorbeeld geen activiteiten meer verrichten, failliet zijn etc.
[7] Ook de Wet BPF 2000 en de Beleidsregels Toetsingskader Wet BPF 2000 vereisen dit.
[8] Informatie sociale verzekeringen naar sectoren 2010, UWV
[9] (inzake CAO’s) en (inzake pensioenen)
[10] Vragen van de leden Wilders en Kamp (beiden VVD) aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de horeca-CAO en het dalende ledenbestand van de FNV. (Ingezonden 12 april 2001) nr 1178.
[11] GAK is een van de voorlopers van UWV.
[12] http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/methoden/dataverzameling/kob-uitzendbranche.htm
[13] Mail van CBS dd 29 februari 2012.
[14] Besluit van de Minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid van 11 juli 2011 tot algemeen verbindendverklaring van de collectieve arbeidsovereenkomst voor Uitzendkrachten, UAW nr 11186, gepubliceerd in de Staatscourant van 13 juli 2011, nr 6825.
[15] VB Contact, Oktober 2011. Te vinden via www.pensioenfederatie.nl, klikken op Voor leden, klikken op Informatievoorziening, klikken op Publicaties, klikken op VBContact.
[16] “Laten we voorop stellen dat verreweg de meeste uitzendbureaus bonafide zijn”, aldus Bart-Jeroen Croll, voorzitter NBBU, in Form p. 9, magazine van NBBU, maart 2012
[17] abu.nl/nieuwsberichten/website/onderhandelingen-cao-uitzendkrachten, februari 2012
[18] www.pensioenmythe.nl/2011/05/Representativiteitsgegevens-StiPP-2008.pdf
[19] SV naar sectoren 2007, UWV, p. 11
[20] Bekendmaking wijziging van de verplichtstelling tot deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds voor personeelsdiensten, 30 januari 2009, zie p. 3
[21] Martin Pikaart: Pensioenfonds StiPP, het belang van de politiek
[22] p. 14 van het StiPP Jaarverslag 2010
[23] StiPP Jaarverslag 2010, p. 34.
[24] StiPP Jaarverslag 2010, p. 34.

Gerelateerd nieuws


Meer uit deze rubriek