loading
views

Harry Vogels: Is de ABU-cao op weg naar een statusloze cao?

Harry Vogels

9 maart 2012

Is de ABU-cao op weg naar een statusloze cao?

Door Harry Vogels, cao-expert

Wat zullen de gevolgen zijn van de invoering van de Europese Richtlijn Uitzendarbeid per december 2011 en van de discussie over de algemeen verbindend verklaring van de ABU-cao?

In tientallen jaren heeft de ABU-cao een grote status opgebouwd.
In dit artikel schets ik het verleden en de toekomst van de ABU-cao en de gevolgen voor de uitzendondernemingen en uitzendkrachten.

Ontwikkeling van de ABU-cao vanaf 1972 tot heden

1972: Eerste ABU-cao
In 1972 ontstaat de eerste ABU-cao, toen nog een cao met enkele arbeidsvoorwaarden en zonder rechtspositieregelingen. En alleen geldig voor administratieve uitzendkrachten.

1987: Volwaardige ABU-cao met onder andere eigen loonschalen
In 1987 komt er een cao met meer arbeidsvoorwaarden en de cao wordt geldig voor alle uitzendkrachten, die in dienst zijn van ABU-leden. Vakbonden blijven geen grote voorstander van deze eerste volwaardige uitzend-cao, maar besluiten toch aan te haken bij de ontwikkelingen. In de ABU-cao staan vanaf nu bepalingen over loon, regels voor aanvang en einde van de arbeidsverhouding, toeslagen, kostenvergoedingen en vakantierechten.

Eind jaren ’80: Maatschappelijke onrust over de ABU-cao
Er groeit maatschappelijke onrust over de ABU-cao, omdat velen van mening zijn, dat uitzendkrachten recht hebben op hetzelfde loon als degenen met dezelfde functie bij de inlener, de loonverhouding. Deze loonverhouding is ook al vastgelegd in een wet: de wet WAADI, maar de ABU-cao wijkt hier vanaf en dat mag volgens de wet.

1991: Antwoord van de ABU op de onrust over de inlenersbeloning
De ABU komt in 1991 samen met de vakbonden tot de volgende creatieve oplossing voor het probleem ‘inlenersbeloning’ Er komt een Stichting Meldingsbureau Uitzendbureau (SMU). Wanneer in de cao van een inlenende onderneming een bepaling over beloning van uitzendkrachten is opgenomen, kan deze worden gemeld bij de SMU. In de ABU-cao is bepaald dat als een inlenersbepaling is aangemeld bij de SMU, dan de beloning van de inlener geldt en dus niet de ABU-bepaling. Deze constructie wordt eind maart 2004 afgeschaft en wordt min of meer ingehaald door de wet Flex en Zekerheid.

Midden jaren ’90: ABU-cao wordt algemeen verbindend verklaard
Midden jaren ’90 wordt de ABU-cao voor de eerste keer algemeen verbindend verklaard. De NBBU-cao wordt gedispenseerd door de minister SZW. De ABU-cao wordt hiermee de grootste cao in uitzendland. De ABU-cao is nu ook geldig voor alle niet-georganiseerde uitzendondernemingen.

1996-1999: ABU en NBBU sluiten het zgn. Uitzendconvenant: start van het fasensysteem
In april 1996 verschijnt de adviesnota ‘Flexibiliteit en Zekerheid’ van de Stichting van de Arbeid (StvdA). Het advies van de StvdA behelst een pakket maatregelen gericht op het tot stand brengen van evenwichtige, bestendige en flexibele arbeidsverhoudingen door het vergroten van flexibiliteit in arbeidsovereenkomsten, onder het gelijktijdig bieden van meer zekerheden aan flexwerkers, waaronder uitzendkrachten. De nota bevatte negen voorstellen voor wijziging van wetgeving per 1 januari 1999, inclusief veel nieuwe wetgeving voor de uitzendbranche.
ABU en NBBU hebben daags voor het advies van de StvdA, samen met de vakbonden, het zogenaamde Uitzendconvenant gesloten, waarbij zij het volgende principe overeenkomen:
Hoe langer de uitzendkracht voor de uitzendonderneming werkt hoe groter zijn arbeidsrechtelijke bescherming. Het fasensysteem gaat hiermee van start.

2004: Oprichting SNCU
In 2004 wordt de SNCU opgericht: de Stichting Naleving Cao voor Uitzendkrachten. Het is een samenwerkingsverband van werkgevers- en werknemersorganisaties in de uitzendbranche. Binnen de SNCU stimuleren en controleren deze partijen de naleving van de cao’s binnen de uitzendbranche. Ook het geven van voorlichting is een belangrijke taak van de SNCU. SNCU wordt ook wel de ‘Cao-politie’ genoemd.

Europese Richtlijn Uitzendarbeid – gevolgen voor de ABU-cao
Op 19 november 2008 is richtlijn 2008/104/EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende uitzendarbeid tot stand gekomen. Binnenkort zal de richtlijn in Nederland worden geïmplementeerd. Nederland zal haar regelgeving omtrent uitzendwerk aanpassen aan de richtlijnen van de Europese Unie. In de wet zullen een aantal aanpassingen verricht worden in de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) en de Wet op de ondernemingsraden (WOR).

Hier vindt u een toelichting op de belangrijkste aanpassingen uit het wetsvoorstel:

  • Wijziging Waadi: uitzendkrachten hebben volgens het voorstel voortaan recht op ten minste dezelfde arbeidsvoorwaarden die gelden voor werknemers werkzaam in gelijkwaardige functies bij de inlener. Het gaat hierbij om een limitatief aantal arbeidsvoorwaarden: loon (functieloon en loon over overuren, feestdagen, vakantiedagen, etc.) en overige vergoedingen zoals reisurenvergoeding, reiskosten, koffiegeld, etc. Daarnaast betreft het zaken die betrekking hebben op arbeidstijden zoals pauzes, rusttijden, nachtarbeid, duur van vakanties en het werken op feestdagen. Bij cao kunnen partijen onder bepaalde voorwaarden van deze gelijke behandelingsnorm afwijken.
  • Wijziging Waadi: de inlenende onderneming moet uitzendkrachten voortaan inlichten over interne vacatures, zodat zij dezelfde kansen op een vaste baan hebben als de werknemers die bij de inlener in dienst zijn.
  • Wijziging Waadi: het wetsvoorstel bevat een belemmeringsverbod: aan uitzendkrachten mogen geen belemmeringen in de weg worden gelegd om bij de inlener in dienst te treden. Dit verbod laat onverlet dat uitzendbureaus aan de inlener een redelijke vergoeding kunnen vragen voor aan de inlener verleende diensten in verband met de terbeschikkingstelling, aanwerving en opleiding van uitzendkrachten.
  • Wijziging Waadi: uitzendkrachten zullen toegang krijgen tot de bedrijfsvoorzieningen of diensten in de inlenende onderneming onder dezelfde voorwaarden als de werknemers van de inleners. Denk hierbij bijvoorbeeld aan kantines, kinderopvang en vervoersfaciliteiten. Het is wel mogelijk dat een objectieve reden een verschil in behandeling rechtvaardigt.
  • Wijziging WOR: de inlener zal volgens het voorstel ten minste één maal per jaar aan zijn ondernemingsraad (OR) schriftelijk algemene gegevens verschaffen inzake uitzendkrachten die werken in de onderneming, zoals dit nu ook geldt voor eigen medewerkers (artikel 31b WOR). Ook zal de inlener daarbij informatie aan de OR moeten geven over het verwachte het aantal uitzendkrachten in het komende jaar.

Onrust over algemeen verbindend verklaren van ABU-cao
Al jarenlang vecht werkgeversorganisatie NVUB (Nederlandse Vereniging van Uitzend- en Bemiddelingsbedrijven) tegen de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Inzet is de rol van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij het algemeen verbindend verklaren (avv) van de cao voor de uitzendbranche. Volgens de NVUB had deze cao nooit ge’avvd mogen worden, omdat er onjuiste cijfers worden aangeleverd door de ABU. De strijd tussen de NVUB en de ABU gaat echter door en er kan een moment komen dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid overstag gaat. Zo gebeurde een aantal jaren geleden ook in de bedrijfstak horeca. De werkgeversorganisatie Koninklijke Horeca Nederland (KHN) heeft zich vele jaren schuldig gemaakt aan het aanleveren van onjuiste cijfers aan de minister over het aantal horecawerknemers, dat in dienst was van leden van de KHN. Dit werd aangekaart door de nieuwe werkgeversorganisatie in de horeca, het Nederlands Horeca Gilde (NHG). Het NHG schakelde onderzoeksbureau Research voor Beleid uit Zoetermeer in en toonde aan dat de KHN de minister jarenlang verkeerd heeft geïnformeerd. Op deze wijze is het ook mogelijk, dat het NVUB, samen met een of meer onderzoeksinstituten, met andere cijfers komt en dat de ABU-cao daarna niet meer algemeen verbindend wordt verklaard.

Na Europese Richtlijn Uitzendarbeid en niet-algemeen verbindend verklaring ABU-cao:een statusloze ABU-cao?

De ABU zal in de toekomst met twee belangrijke vragen te maken krijgen:
1. Zullen de Nederlandse vakbonden toestaan dat eigen arbeidsvoorwaarden in de ABU-cao worden opgenomen en zo afwijken van de inlenersbeloning in de Waadi en van de Europese Richtlijn Uitzendarbeid?
2. Zal de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ook in de toekomst besluiten de ABU-cao algemeen verbindend te verklaren?

Als beide vragen positief kunnen worden beantwoord is er niets aan de hand, maar ik vrees voor de ABU dat de vakbonden niet willen afwijken van de Europese Richtlijn Uitzendarbeid en dat de minister van SZW op termijn de ABU-cao niet meer algemeen verbindend zal verklaren. Er komt dan een statusloze cao, die alleen geldig is voor ABU-leden.

Is een statusloze cao erg voor uitzendkrachten?
De ABU probeert met haar cao zoveel mogelijk te werken aan de kwaliteit van de uitzendbranche en aan uitbanning van malafide uitzendbureaus. Bij een niet algemeen verbindend verklaring is de ABU-cao alleen geldig voor leden van de ABU.
Niet ABU-leden moeten zich aan de wet houden. Dus aan de gewijzigde wet Waadi, de wet Flexibiliteit en Zekerheid en de Europese Richtlijn. Dit betekent dat de uitzendkrachten, die werkzaam zijn bij niet georganiseerde werkgevers dezelfde arbeidsvoorwaarden krijgen als vergelijkbare werknemers bij de inlener. Ook zal eerder sprake zijn van een dienstverband in plaats van een uitzendbeding. De uitzendkracht zal er volgens mij dus niet op achteruitgaan bij een niet algemeen verbindend verklaring van de ABU-cao.
Het verplichte pensioen van de ABU-cao zal nog wel blijven doorlopen, maar kan op termijn ook gevaar lopen. Het kan namelijk zijn dat derden, zoals de vakbond AVV en de werkgeversorganisatie NVUB, de minister verzoeken de verplichtstelling van StiPP in te trekken vanwege het ontbreken van voldoende representativiteit. Vraag is of dit erg is voor de uitzendkracht. De inkomsten bij StiPP gaan grotendeels op aan de kosten om het fonds in stand te houden, zegt Martin Pikaart in een artikel bij FlexService op 28 juni 2011.

Controle op uitzendbureaus: zaak voor SNCU en Inspectie SZW
De naleving ABU-cao en de NBBU-cao wordt nu vooral gecontroleerd door de SNCU. De kosten worden opgebracht via partijen bij de ABU-cao en de NBBU-cao via de Cao Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche. Deze cao is algemeen verbindend verklaard tot en maart 2014. Ook de algemeen verbindend verklaarde ABU-cao wordt op deze wijze gecontroleerd.
Als de algemeen verbindend verklaring van de ABU-cao vervalt, heeft dit ook gevolgen voor de Cao Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche vanaf maart 2014. De Inspectie SZW zal dan mogelijk een grotere rol krijgen. De Inspectie SZW is vanaf dit jaar de samenvoeging van de Arbeidsinspectie, de Inspectiedienst voor Werk en Inkomen en de Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst van het ministerie SZW.
Om deze handhaving te versterken werden in 2011 al verschillende wetswijzigingen bij de Tweede Kamer ingediend. Deze wijzigingen worden naar verwachting in de loop van 2012 geïmplementeerd. Een van die wijzigingen betreft een effectievere aanpak van de wet Waadi. En een nog strengere aanpak van malafide uitzendbureaus door invoering van registratieplicht voor uitzendbureaus en het mogelijk maken van gegevensuitwisseling met private partijen zoals de Stichting Normering Arbeid (SNA) en de Stichting Naleving Cao voor Uitzendkrachten (SNCU).

Harry Vogels
www.caoadvies.nl

> Lees meer columns van Harry Vogels over de positie van de ABU-cao

Gerelateerd nieuws


Meer uit deze rubriek