loading
views
0 reacties
Martin Pikaart

And now for something completely different: een goede oudedagsvoorziening voor flexwerkers

Martin Pikaart maakt zich al jaren sterk voor een eerlijker verdeling van de pensioengelden over de generaties. Als wiskundige heeft hij zich al vele jaren verdiept in de rekenmodellen van pensioenfondsen en constateert dat 50-minners per definitie aan het kortste eind trekken als het gaat om hun oudedagsvoorziening. Over het dreigende drama rond het pensioenbeleid heeft Pikaart onlangs een boek gepubliceerd: De Pensioenmythe. Hij is oprichter en voorzitter van Alternatief voor Vakbond (AVV). X

Lees meer over Martin Pikaart

21 september 2011

And now for something completely different:

een goede oudedagsvoorziening voor flexwerkers

Door Martin Pikaart

Martin Pikaart heeft in een serie artikelen voor FlexNieuws de pensioensituatie in de uitzendbranche kritisch onder de loupe genomen. In onderstaand artikel draagt hij een nieuwe oplossing aan.

> Lees meer over Martin Pikaart, voorzitter Alternatief voor Vakbond

Is het mogelijk een goede oudedagsvoorziening voor flexwerkers op poten te zetten?
Uiteraard, als je maar de goede ingrediënten gebruikt. Vandaar in deze column een voorstel om in 4 stappen naar een goede, flexibele en betaalbare oudedagsvoorziening over te gaan.

Opmerking vooraf
Traditioneel is de Nederlandse pensioensector opgedeeld in de tweede pijler en de derde pijler. Dit onderscheid is echter praktisch gezien verdwenen met de recente inzichten, zoals bijvoorbeeld verwoord in het rapport Goudswaard. Garanties voor uitkeringen vallen weg, zeker in het nieuwe Pensioenakkoord, en verhoging van de levensverwachting gaat doorwerken in de uitkeringshoogte. Ook de introductie van de mogelijkheid van banksparen [1] voor je pensioen heeft de afstand tussen de beide pijlers verkleind. Onderstaand voorstel heeft eveneens kenmerken van beide pijlers.

Stap 1 Pensioenfonds StiPP wordt opgeheven
Dat klinkt als een vergaande stap, maar dat is maar betrekkelijk. Een aantal jaar geleden kende Nederland nog bijna 1.000 pensioenfondsen, nu zijn het er nog zo’n 600, waarvan circa 100 in staat van liquidatie. De Nederlandsche Bank heeft al bij monde van directeur Pensioentoezicht mw. Kellermann aangegeven dat we naar maximaal honderd fondsen toe moeten [2]. Om te kunnen overleven is een minimumvermogen nodig van enkele miljarden, het vermogen van StiPP bedraagt nog geen 350 miljoen [3].

Stap 2 De opbouwfase: een individuele G-rekening
Elke flexwerker opent een G-rekening (een geblokkeerde rekening) bij een bank of verzekeraar. De blokkade voor deze rekening betekent dat er alleen onder speciale voorwaarden geld vanaf gehaald mag worden. Die voorwaarden worden op last van de fiscus door de bank of verzekeraar gecontroleerd. De bedoeling van de rekening is de ondersteuning van de oudedag [4].

Tijdens de opbouwfase werkt het voor de flexwerker vrij simpel: de flexwerker stort geld op de rekening, al dan niet verplicht opgelegd in de CAO, en de eventuele werkgever doet dit ook. Op zijn geblokkeerde rekening kan de flexwerker zelf aankruisen of hij een deel van zijn premie, en zo ja, welk deel, kan gebruiken voor een arbeidsongeschiktheidspensioen en/of voor een nabestaandenpensioen.
Het eerste voordeel van dit systeem is al dat de flexwerker deze rekening aan kan houden bij overstap naar een andere werkgever, bij wisseling van en naar het zzp-schap, tijdens werkeloosheid etc. De rekening is immers niet gekoppeld aan werkgever of sector, maar aan de persoon.

Stap 3 De uitkeringsfase: in eenheden
De grote winst voor de deelnemer valt te behalen in (de lagere kosten en in) de uitkeringsfase.
Bij een traditionele pensioenuitkering moet altijd het bedrag in harde euro’s vaststaan. Voor de invoering van de Pensioenwet was de toen geldende wet, de Pensioen- en Spaarfondsen Wet, niet duidelijk hierover en stond de fiscus toe dat er pensioen werd uitgekeerd in eenheden. Sinds de invoering van de Pensioenwet wordt pensioen in eenheden niet meer als pensioen beschouwd, en is de fiscale faciliteit vervallen.

Anno 2011 zijn er geen garanties meer. Dat is ook erkend in het Pensioenakkoord dat sociale partners en het kabinet hebben gesloten, en waarin is afgesproken [5] dat de uitkeringen ‘gaan mee ademen met de veranderingen op de financiële markten’. Het oude concept van een 100 % zeker pensioen is daarmee losgelaten.

Een van de conclusies van de afgelopen decennia is, dat het opstapelen van buffers (30 % bij pensioenfondsen!) niet de zekerheden oplevert die ervan verwacht werden. Het ophogen van de buffers geeft weliswaar meer zekerheid, maar tegen almaar hogere kosten en/of een almaar lagere uitkering. Dat is niet gewenst, de uitkeringen zullen sowieso al lager uitpakken door de verwachte lagere rendementen en de vergrijzing. We willen juist de uitkeringen zo hoog mogelijk laten zijn.
Dat doen we door niet een enorme buffer opzij te zetten die de zekerheid tegen hoge kosten moet leveren, maar door geen buffer aan te houden en in theorie het hele kapitaal te laten uitkeren. Het geld is in deze opzet immers van de deelnemer in plaats van van het pensioenfonds.
Garanties worden ingebouwd door goed risicobeheer en de keuze vooraf van de deelnemer hoeveel risico hij aankan. Een deelnemer die geen enkel risico wenst te lopen, ook als hij weet dat de bijbehorende uitkering dan laag wordt, kiest daarvoor.
Een deelnemer die kans wil maken op het ontvangen van een hogere uitkering en bereid is daarvoor een bepaald risico te lopen kan daarvoor kiezen.

Uitkering vormgeven als annuïteit in eenheden
Een nieuwe vormgeving van de uitkering dus. De uitkering van de flexwerker wordt vastgesteld in eenheden in plaats van in euro’s. De Pensioenwet voorziet hier momenteel niet in, maar dit is wel mogelijk bij een lijfrente-uitkering [6]. Om het Pensioenakkoord van de Stichting van de Arbeid wettelijk mogelijk te maken -en om het pensioenstelsel überhaupt duurzaam te maken- zal het verschil tussen tweede en derde pijler verder moeten vervagen en zal dit ook mogelijk moeten worden.
Aangezien we het kapitaal toch al niet onder de Pensioenwet hadden laten vallen, is het toegestaan om de uitkering op deze manier vorm te geven.
Op het moment van pensionering wordt het opgebouwde kapitaal in een virtuele annuïteit in eenheden omgezet. De berekeningen hiervoor zijn in feite dezelfde als bij een annuïteit in euro’s, met één verschil. We nemen nu het totale opgebouwde kapitaal, in plaats van dat er een deel opzij wordt gezet voor de buffer. Vervolgens worden bij elke uitkeringsperiode de eenheden te gelde gemaakt en de opbrengst uitgekeerd. Op deze manier is het pensioen gegarandeerd hoger dan in een traditionele annuïteit [7].
Door een beperkt aantal risico-profielen aan te bieden kunnen enerzijds de kosten laag blijven terwijl anderzijds de deelnemer een keuzemogelijkheid heeft om een risicoprofiel te kiezen dat bij zijn situatie past.

Stap 4 Wettelijke aanpassingen
Om de bovenstaande verbeteringen van het flexpensioen te realiseren, zijn er enkele wettelijke aanpassingen nodig. En natuurlijk de bereidheid van sociale partners om afstand te doen van StiPP en de uitdaging aan te gaan van een vernieuwende aanpak van pensioenopbouw.
Ik zie de volgende drie benodigde wettelijke aanpassingen.

Eventueel: verplichtstelling van premiestorting door werkgever op G-rekening
De wet kent nu alleen verplichtstellingen voor pensioenfondsen, dit zou dus een wijziging betekenen. Maar wel een die hetzelfde doel dient, namelijk een goede oudedagsvoorziening. En bovendien wordt de Pensioenwet toch de komende jaren gewijzigd.

Pensioen in eenheden moet weer expliciet mogelijk worden onafhankelijk van de ‘pijler’
Pensioen in eenheden is nu alleen mogelijk in de derde pijler en niet in de tweede. Aangezien de Pensioenwet toch op de schop gaat om onzekere uitkeringen aan te kunnen bieden, kan meteen deze eenvoudige wijziging meegenomen worden.

Fiscale bovenmatigheid moet vervallen voor flexwerker
De pensioenregeling voor uitzendkrachten is in 2006 versoberd omdat anders de uitkeringen boven de 100 % van het loon zouden kunnen komen [8] (de regeling is dan niet meer ‘fiscaal zuiver’). De premie werd teruggebracht van 3,5 % naar 2,6 %. Daarmee bouw je weinig pensioen op.
Om een fatsoenlijke oudedagsvoorziening voor flexwerkers mogelijk te maken, zou de fiscale straf op bovenmatigheid moeten komen te vervallen, of in elk geval versoepeld moeten worden. De wetgever beoogt met deze straf de opbouw van een ‘bovenmatig’ pensioen tegen te gaan van meer dan 100 % van het loon, dat wil zeggen de fiscale begunstiging ervan. We hebben al gezien dat de pensioentjes opgebouwd bij StiPP in het algemeen laag zijn, de meeste worden zelfs afgekocht. Ook als bij toeval de opbouw in het eerste kwartaal fiscaal te hoog zou zijn voor een bepaald individu, is het zeer aannemelijk dat in de nabije toekomst gaat veranderen. De pensioenregelingen zijn niet meer van dien aard dat zelfs maar de vroegere standaard van 70 % van het verdiende loon wordt gerealiseerd. In de toekomst zal dat vervangingspercentage eerder bij de 50 % à 55 % liggen [9].
Bovenmatigheid treedt snel op bij lage inkomens, dus ook bij flexwerkers. Bij invoering van de hier voorgestelde systematiek moet echter de bovenmatigheids controle achterwege blijven.

Wat gebeurt er met de solidariteit?
Nederlanders hechten aan solidariteit maar weten niet altijd wat er precies onder verstaan wordt.
Ook in bovenstaande zit nog een heleboel solidariteit. In de nevendekkingen (inzake arbeidsongeschiktheid en nabestaanden) zit natuurlijk (verzekerings)solidariteit, indien die op risicobasis zijn. Als sociale partners, of banken/verzekeraars als aanbieders van de producten, de bovenstaande ideeën verwerken in een aanbod aan flexwerkers waarin aanvullende solidariteit zit verwerkt, kan dat toegevoegde waarde hebben. Met name de indexatiekwaliteit kan baat hebben bij intergenerationele solidariteit. Die moet echter wel vooraf vastgelegd worden, binnen bepaalde grenzen blijven en deelnemers moeten ervoor kiezen. Dat zullen ze alleen doen als de voordelen heel helder gemaakt worden, bijvoorbeeld: betere indexatie in tijden van hoge inflatie, tegen een redelijke premie.
Lukt het niet dit duidelijk te maken, dan is de gemiddelde flexwerker beter af met een ‘kaal’ product, waarin alleen de verzekeringssolidariteit zit.

Conclusie
Op deze manier krijgen we een individuele, relatief eenvoudige, goedkope en flexibele pensioenuitkering voor flexwerkers. De indexatie moet komen uit de premie, uit het beleggingsbeleid en eventueel uit solidariteit in een collectief contract. Die solidariteit dient echter vooraf vastgelegd te worden om te voorkomen dat die te zwaar belast wordt zoals in het huidige systeem.

Voetnoten
[1] Het voorstel Blok-Depla om ook pensioenopbouw bij een bankrekening mogelijk te maken. Formeel heet dit geen pensioen, formeel is het namelijk lijfrente (derde pijler).
[2] Buitenhof, 11 april 2010.
[3] Jaarverslag 2009. Jaarverslag 2010 is nog niet verschenen, althans niet op de site.
[4] Deblokkeren zou daarnaast mogelijk gemaakt kunnen worden voor specifieke doeleinden, zoals bijvoorbeeld de aankoop van een huis. Een eigen woning is immers een stevige ondersteuning van de oudedag, en bovendien willen de meeste mensen zo lang mogelijk in hun eigen huis blijven wonen.
[5] Stichting van de Arbeid, Pensioenakkoord juni 2010, Bijlage p. 5.
[6] Wet IB 2000.
[7] Zie M. Pikaart & G. Bos, Duurzame pensioenen from scratch, Netspar NEA paper 41, 2011.
[8] Dit komt omdat het een beschikbare premieregeling is waar geen franchise in zit.
[9] M. Pikaart, De pensioenmythe, p. 130.

Gerelateerd nieuws


Meer uit deze rubriek