loading
views

Ontslag arbeidsongeschikte werknemer kennelijk onredelijk?

18 mei 2011

Is het ontslag van een arbeidsongeschikte werknemer kennelijk onredelijk?

De Hoge Raad heeft in zijn arrest ‘Van de Grijp/Stam’ van 27 november 2009 geoordeeld dat de uitkomst van de kantonrechtersformule (met vermindering van 30 %) niet als algemeen uitgangspunt kan dienen voor de bepaling van een vergoeding in kennelijk onredelijke ontslagprocedures. De vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag is de vergoeding wegens geleden schade en is daarmee anders dan de vergoeding naar billijkheid ex artikel 7:658 lid 8 BW. Bij de beoordeling ex artikel 7:681 lid 1 en 2 BW dient eerst te worden vastgesteld dat sprake is van kennelijk onredelijk ontslag en pas daarna komt de hoogte van de vergoeding aan bod.
Na vernietiging van het arrest van het hof ’s-Gravenhage heeft de Hoge Raad de zaak naar het Hof Amsterdam verwezen. Hieronder wordt uiteengezet hoe dit Hof heeft geoordeeld na dit belangrijke arrest.

Feiten
De werknemer, 58 jaar, was zo’n 15 jaar werkzaam als machinebrander toen hij op 31 augustus 1989 door een arbeidsongeval gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geworden. Op 10 september 2001 is hij uitgevallen wegens rugklachten. Hierna heeft de werknemer op een aantal momenten voor een periode van minder dan vier weken zijn werk hervat. Het UWV heeft in mei 2003 bepaald dat de werknemer zijn werkzaamheden niet meer kon verrichten. Wel was hij geschikt voor ander werk. Volgens de werkgever was gedeeltelijke werkhervatting in aangepaste werkzaamheden niet mogelijk. Hierna heeft de werkgever aan de CWI toestemming gevraagd om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. De werkgever kreeg hiervoor een vergunning en zij heeft tegen 31 oktober 2004 het ontslag aangezegd. Ten tijde van het ontslag heeft er bij de werkgever een reorganisatie plaatsgevonden. De werknemer is toentertijd niet onder werking van het daarbij behorende sociaal plan gebracht. Later, bij besluit van 11 mei 2005, heeft het UWV GAK de arbeidsongeschiktheid met terugwerkende kracht ingaande 9 september 2002 vastgesteld op een percentage 80-100 %.

Vordering
De werknemer heeft bij de kantonrechter gevorderd dat voor recht werd verklaard dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever met ingang van 31 oktober 2004 kennelijk onredelijk was en dat de werkgever in verband daarmee werd veroordeeld tot betaling van een vergoeding en buitengerechtelijke kosten. De kantonrechter heeft deze vordering bij vonnis van 9 maart 2006 afgewezen.

Het hof te ’s-Gravenhage heeft in hoger beroep op 2 december 2008 het vonnis van de kantonrechter vernietigd, de verklaring dat het ontslag kennelijk onredelijk is alsnog gegeven en de werkgever veroordeeld voor betaling van een vergoeding en buitengerechtelijke kosten. Daarop is de werkgever in cassatie gegaan. De Hoge Raad heeft toen het arrest van het hof vernietigd.

Hoge Raad arrest ‘Van de Grijp/Stam’
De Hoge Raad heeft als volgt overwogen. In de eerste plaats heeft het hof miskend dat bij de beoordeling van een op art. 7:681 lid 1 en 2 BW gebaseerde vordering eerst aan de hand van de omstandigheden tezamen en in onderling verband moet worden vastgesteld dàt sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag vóórdat kan worden toegekomen aan de beantwoording van de vraag welke vergoeding aan de werknemer wordt toegekend. Het enkele feit dat geen voorziening voor de werknemer is getroffen, is niet voldoende om aan te nemen dat het ontslag kennelijk onredelijk is.
Het hof heeft weliswaar overwogen dat bij de beantwoording van de vraag of een ontslag kennelijk onredelijk is, alle omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen, doch het hof heeft desondanks klaarblijkelijk, maar ten onrechte, als vuistregel aanvaard dat het enkele ontbreken van een voorziening in overeenstemming met de uitkomst van de kantonrechtersformule verminderd met 30% het ontslag kennelijk onredelijk doet zijn.
Voorts heeft het hof miskend dat een vergoeding op grond van art. 7:681 lid 1 een ander karakter heeft dan de vergoeding die de rechter ingevolge art. 7:685 lid 8 BW kan toekennen. In het eerste geval moet de rechter de vergoeding begroten als schade die de werknemer als gevolg van het kennelijk onredelijk ontslag heeft geleden, terwijl bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verandering in de omstandigheden een vergoeding naar billijkheid kan worden toegekend. Het verschil in de wijze waarop deze vergoedingen onderscheidenlijk worden bepaald, hangt samen met de aard van de procedure.
De uitkomst van de kantonrechtersformule kan daarom niet dienen als een algemeen uitgangspunt voor de bepaling van een vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. Ook het toepassen van een generieke korting op de uitkomst van de berekening van een vergoeding volgens deze formule als noodzakelijke correctie daarop verdraagt zich niet met de wijze waarop de rechter in geval van kennelijk onredelijk ontslag een vergoeding dient te bepalen. Hoewel de door het hof beoogde voorspelbaarheid van dit soort van frequent voorkomende beslissingen, mede in verband met de rechtszekerheid, een belangrijk gezichtspunt is, kan ook daarin niet een rechtvaardiging worden gevonden voor het hanteren van een zo globale maatstaf dat afbreuk wordt gedaan aan de hiervoor uiteengezette aard van de vergoeding en de daarmee samenhangende wijze van begroting ervan. Uit het hiervoor overwogene volgt dat de voorspelbaarheid van beslissingen waarbij deze vergoeding wordt toegekend, in belangrijke mate afhankelijk is van het inzicht dat de rechter geeft in de wijze waarop deze beslissingen tot stand zijn gekomen, met name wat betreft de factoren die bij de bepaling van de vergoeding een rol spelen, aldus de Hoge Raad.

Na vernietiging van het arrest heeft de Hoge Raad bepaald dat het hof te Amsterdam een oordeel diende te geven.

Beoordeling van het hof Amsterdam
Het hof heeft eerst de stellingen van de werknemer besproken, die waren als volgt. Het ontslag is kennelijk onredelijk omdat het ontslag een bedrijfseconomisch karakter heeft, de werknemer niet in aanmerking komt voor een financiële compensatie van het sociaal plan, de werknemer niet gelijk is behandeld, de werkgever tekort is geschoten in re-integratie en de werknemer onder druk heeft gezet, er een relatie tussen arbeidsongeschiktheid en bedrijfsongeval moet worden gelegd, en mede gelet op de duur van het dienstverband, de leeftijd van de werknemer, de beperkte opleiding en werkervaring van de werknemer en de slechte positie op de arbeidsmarkt.

Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat de werknemer onvoldoende heeft toegelicht welke passende arbeid hij zou kunnen verrichten. Vanwege dit feit kan niet worden gesproken van een ontslag met een bedrijfseconomisch karakter. Voorts is het hof van oordeel dat nu de werknemer ten tijde van zijn ontslag volledig arbeidsongeschikt was, aan de mededeling van de werkgever, dat er als gevolg van teruglopende opdrachten geen passende functies voor handen waren, onvoldoende zelfstandige betekenis toekomt. Dit heeft tevens tot gevolg dat de werkgever de werknemer niet in aanmerking behoefde te brengen voor de financiële compensatie van het sociaal plan. Dit plan is namelijk alleen van toepassing op werknemers, die als gevolg van teruglopend werk, hun baan hebben verloren. Er is dan ook geen sprake van ongelijke behandeling, aldus het hof.

Daarnaast is het hof van oordeel dat ook blijkt dat de werkgever voldoende inspanningen heeft verricht om de werknemer te re-integreren. Er is onvoldoende toegelicht waarom de werkgever tekort is geschoten. Ook het feit dat de werkgever de mogelijkheid heeft overwogen om de werknemer te ontslaan indien hij aangepaste werkzaamheden zou weigeren, is onvoldoende om het uitoefenen van druk aan te nemen. Tot slot treffen de overige omstandigheden die de werknemer heeft aangevoerd, zoals een beperkte opleiding, eenzijdige werkervaring en slechte positie op de arbeidsmarkt, geen doel. Ten tijde van het ontslag was de werknemer namelijk volledig arbeidsongeschikt en was er geen uitzicht op herstel. Ook de laatste omstandigheden (al dertig jaar in dienst en 58-jarige leeftijd) die de werknemer aanvoert zijn onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is van een kennelijk onredelijk gegeven ontslag.

Conclusie
Wat overbleef was een ontslag dat wegens langdurige arbeidsongeschiktheid is gegeven zonder dat is gebleken van verband met de werkzaamheden en zonder dat sprake is van bijkomende omstandigheden die met zich meebrengen dat het ontslag kennelijk onredelijk moet worden geacht.
Het hof achtte de vorderingen van de werknemer daarom niet toewijsbaar en bekrachtigde het bestreden vonnis van de kantonrechter.

Bronnen: Gerechtshof Amsterdam, 8 maart 2011 LJN BQ2709; Hoge Raad, 27 november 2009 LJN BJ6596

Gerelateerd nieuws

  • Geen gerelateerde berichten gevonden.

Meer uit deze rubriek