loading
views

Loonbetaling met terugwerkende kracht door woordkeuze werkgever

27 april 2011

In de onderhavige zaak heeft het hof geoordeeld dat een werknemer erop mocht vertrouwen dat het om loonopschorting ging (art. 7:629 lid 6 BW) en niet om stopzetting van loon (art. 7:629 lid 3 BW).

De werknemer, 59 jaar, was werkzaam als internationaal vrachtwagenchauffeur voor de werkgever. De werknemer is in 2004 voor het eerst voor langere tijd uitgevallen wegens ziekte. Hierna heeft hij wederom wegens diverse fysieke klachten niet meer gewerkt sinds 26 september 2005. In het kader van het tweede spoor van de re-integratie heeft hij wel tussen 14 augustus 2006 en 2 januari 2007 wat chauffeurswerkzaamheden verricht op arbeidstherapeutische basis.

Onderzoek en advies

De werkgever heeft in mei 2007 aan een externe arbeidsdeskundige gevraagd om een onderzoek te verrichten. Daaruit volgde het advies om de werknemer te begeleiden naar ander werk bij een andere werkgever. De werknemer heeft daarna in een gesprek bij de arbeidsdeskundige aangegeven dat hij dat niet zag zitten en dat hij op het door hem verzochte oordeel van het UWV wilde wachten. Daarop heeft de arbeidsdeskundige de werkgever geadviseerd om het salaris van de werknemer op te schorten.

Weer aan de slag

In de tussentijd heeft de werknemer aangegeven dat hij op korte termijn weer aan de slag kon als internationaal vrachtwagenchauffeur. De werkgever had echter het advies van de arbeidsdeskundige al opgevolgd en in een brief van 15 juni 2007 aan de werknemer duidelijk gemaakt dat per direct de salarisbetaling zou worden opgeschort omdat de werknemer niet meewerkte aan zijn re-integratieverplichtingen.

Werknemer ongeschikt voor functies

Het UWV heeft vervolgens in haar deskundigenoordeel van 10 juli 2007 geconcludeerd dat de werknemer met de huidige medische beperkingen ongeschikt was voor zijn eigen functie en voor de functie die hij in het kader van de re-integratie in het tweede spoor tijdelijk had vervuld. Verder was het UWV van oordeel dat de werkgever voldoende aan zijn re-integratieverplichtingen had voldaan en dat hij daarom terecht de salarisbetaling had opgeschort.

Loonbetaling stopgezet

Naar aanleiding van het oordeel van het UWV heeft de werkgever op 23 juli 2007 schriftelijk aan de werknemer medegedeeld dat de loonbetaling zou worden stopgezet vanwege het feit dat de werknemer, ondanks de uitkomst van het deskundigenoordeel, geen enkele actie heeft ondernomen om aan de re-integratieverplichtingen te voldoen. Daar was de werknemer het niet mee eens en hij heeft een loonvordering ingesteld.

Re-integratieverplichtingen

In het hoger beroep ging het met name om de vraag of de werkgever door de eerste brief van 10 juli 2007, zelf de indruk bij de werknemer had gewekt dat, wanneer de werknemer aan de re-integratieverplichtingen voldeed, alsnog het opgeschorte loon zou worden betaald. De kantonrechter was van oordeel dat het antwoord op deze vraag bevestigend moest worden beantwoord en dat werkgever het salaris tot 23 juli verschuldigd was. De werkgever ging hiertegen in beroep.

Beoordeling van het hof
Het hof was van oordeel dat de werknemer verplicht is om mee te werken aan zijn re-integratie, zoals het zoeken naar ander passend werk (art. 7:660a BW). Indien de werknemer zonder deugdelijke grond weigert mee te werken om passende arbeid te verkrijgen zal het recht op doorbetaling van loon komen te vervallen (art. 7:629 BW lid 3).

Loonsanctie versus loonopschorting

Echter, in deze zaak was het hof van oordeel dat het moment van de loonsanctie pas op 23 juli 2007 kon worden toegepast. Dat de loonsanctie ook eerder had kunnen worden toegepast is nog geen reden om het opschorten van de loondoorbetalingsverplichting per 15 juni 2007 aan te merken als het toepassen van de loonsanctie. Gezien het feit dat de werkgever zelf sprak over opschorten van de loondoorbetalingsverplichting moet alsnog het opgeschorte loon worden voldaan wanneer de reden tot opschorting (het niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen) wegvalt. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat van een werkgever mag worden verwacht dat hij zijn woorden zorgvuldig kiest. Zeker als het om een ingrijpend middel zoals loonsanctie gaat. De werknemer hoefde niet te begrijpen dat de werkgever in de brief van 15 juni 2007 met het woord “loonopschorting” in wezen “loondoorbetaling stop zetten” bedoelde. De werknemer heeft het woord in de normale en juridische betekenis opgevat en mocht dat ook (art. 3:35 BW).

Conclusie

Ondanks het feit dat niet meewerken aan de re-integratie van een werknemer een reden is voor het stoppen van loondoorbetaling (art. 7:629 lid 3 BW), was de werkgever in deze zaak toch verplicht om het loon (met terugwerkende kracht) door te betalen (tot het moment dat hij daadwerkelijk een ‘stopzetting’ verkondigde, te weten tot 23 juli 2007). Opschorting van loonbetaling is namelijk niet hetzelfde als het toepassen van loonsanctie. Op basis van artikel 7:629 lid 7 is de werkgever gehouden de werknemer tijdig te informeren over het voornemen om te loon op te schorten of stop te zetten en de grond daarvoor. Het feit dat de werkgever in de eerste brief over loonopschorting sprak (art. 7: 629 lid 6 BW) heeft ertoe geleid dat de werknemer gerechtvaardigd mocht vertrouwen op doorbetaling van zijn loon (met terugwerkende kracht). Van de werkgever mag verwacht worden dat hij zijn woorden zorgvuldig kiest, zodat de werknemer weet waar hij aan toe is.

Bron: Gerechtshof Leeuwarden, 29 maart 2011 LJN BQ0686

Gerelateerd nieuws

  • Geen gerelateerde berichten gevonden.

Meer uit deze rubriek