loading
views

Overeenkomst van opdracht bij Gouden Kooi

5 april 2011

In onderhavige zaak heeft een deelneemster van de realitysoap ‘De Gouden Kooi’, nadat zij was weggestemd uit het programma, een WW-uitkering aangevraagd. Deze aanvraag is door het UWV afgewezen.

In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank bevestigd en geoordeeld dat de deelneemster tot Talpa in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond in de zin van artikel 3 WW. De weigering van het UWV om een WW-uitkering te verstrekken was dan ook onterecht. Het UWV stelde vervolgens cassatieberoep in.

Feiten

Overeenkomst van opdracht
De deelneemster heeft van 23 september 2006 tot en met 26 juli 2007 meegedaan aan het televisieprogramma ‘De Gouden Kooi’. Zij werd daar met andere deelnemers 24 uur per dag gefilmd in een villa en deze beelden konden door publiek bekeken worden. De deelneemster had met Talpa een overeenkomst getekend, die door partijen was gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht. In de considerans van de overeenkomst stond dat het uitdrukkelijk niet de bedoeling van partijen was om een arbeidsovereenkomst te sluiten. Talpa betaalde haar voor iedere maand dat zij in ‘De Gouden Kooi’ doorbracht € 2.250,– bruto. Loonheffingen en sociale premies werden op dit bedrag ingehouden.

Nadat de deelneemster was weggestemd uit het programma heeft zij een WW-uitkering aangevraagd. Toen het UWV deze aanvraag had afgewezen, heeft zij bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft het UWV dit bezwaar ongegrond verklaard, waarna de deelneemster beroep heeft ingesteld bij de rechtbank.

Privaatrechtelijke dienstbetrekking?
De rechtsvraag die de rechtbank diende te beantwoorden was of er sprake was van een overeenkomst van opdracht of een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 WW. Om deze vraag te beantwoorden is de rechtbank nagegaan of er aan de drie voorwaarden van een privaatrechtelijke dienstbetrekking was voldaan. Zo moest de deelneemster persoonlijke arbeid verrichten en moest er sprake zijn van loonbetaling door de werkgever en een gezagsverhouding tussen de werknemer en werkgever.

De eerste voorwaarde was niet in geschil. Voorts kon volgens de rechtbank het maandelijks door Talpa aan de deelneemster betaalde bedrag niet anders worden gezien dan een tegenprestatie voor de bedongen arbeid waardoor aan de voorwaarde voor loonbetaling was voldaan. Tevens was aan de laatste voorwaarde voldaan, omdat de deelneemster in haar vrijheid was beperkt en was gehouden opdrachten en aanwijzingen van Talpa te volgen. De rechtbank heeft door het voldoen aan deze voorwaarden geconcludeerd dat er sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 WW en het beroep van de deelneemster gegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep heeft het oordeel van de rechtbank bevestigd en het hoger beroep van het UWV ongegrond verklaard. Daarop heeft het UWV cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad.

Beoordeling van de Hoge Raad

Privaatrechtelijke dienstbetrekking betreffende WW?
De Hoge Raad diende zijn oordeel te vellen over de vraag of de Centrale Raad van Beroep de rechtsverhouding tussen Talpa en de deelneemster terecht had beoordeeld als een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 WW. Hierbij was het van belang of er sprake was van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW.

Toetsing criteria
Om dat te kunnen beantwoorden was het nodig om te toetsen of de inhoud van de rechtsverhouding aan de criteria die gelden voor een arbeidsovereenkomst voldeden. Daarbij dient acht te worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst en aldus daaraan inhoud hebben gegeven, aldus de Hoge Raad.

Voldaan aan de drie criteria
De Centrale Raad van Beroep heeft de voorwaarden waar de rechtbank vanuit is gegaan voor het aannemen van een arbeidsovereenkomst gevolgd; een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. De Hoge Raad oordeelde dat de Centrale Raad van Beroep terecht was uitgegaan van die criteria. Voorts heeft de Centrale Raad van Beroep bij de beoordeling van de inhoud van de tussen Talpa en de deelneemster gemaakte afspraken, de criteria op de juist wijze uitgelegd en toegepast, aldus de Hoge Raad. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.

Achtergrondinformatie
De A-G heeft in zijn conclusie nog aangegeven dat de vraag of partijen een overeenkomst van opdracht of een arbeidsovereenkomst hebben gesloten niet zozeer bepaald wordt door hun kwalificatie van de overeenkomst als wel door de inhoud en uitvoering van de overeenkomst.

Beide overeenkomsten hebben veel elementen gemeen zoals het verrichten van persoonlijke arbeid, de instructiebevoegdheid en de arbeidsbeloning. Echter een arbeidsovereenkomst is veeleer een inspanningsverplichting en een overeenkomst van opdracht een resultaatsverplichting.

Bron: Hoge Raad, 25 maart 2011, LJN BP 3887

Gerelateerd nieuws


Meer uit deze rubriek