loading
views

Ontslag op staande voet wegens verduistering

Logo

28 juli 2010

Ontslag en verweer
Werknemer is op 1 juli 1982 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij een eenmanszaak als verkoper/bedrijfsleider in dienst getreden. Zijn salaris bedroeg laatstelijk € 1.539,87 bruto per maand. Werkgeefster heeft op 16 december 2004 de CWI (thans: UWV WERKbedrijf) op bedrijfseconomische gronden verzocht een ontslagvergunning te verlenen voor werknemer. Op 6 januari 2005 heeft werknemer hiertegen schriftelijk verweer gevoerd.

Schuldig aan verduistering?
Op 24 januari 2005 heeft de echtgenoot van de eigenaresse werknemer op staande voet ontslagen, omdat hij geld zou hebben verduisterd door meer geld aan de klant in rekening te brengen dan hij op de dagstaat verantwoordde. Werkgeefster heeft tot en met 24 januari 2005 salaris betaald.

Werknemer heeft ontkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering. Hij stelt dat hij vijftien jaar voor het ontslag met de echtgenoot van de eigenaresse zou hebben afgesproken dat hij op die manier mocht handelen om aldus een bedrag aan “vakantiegeld” over te houden. Zijn loon was laag en bovendien “inclusief” vakantiegeld. Werkgeefster heeft betwist dat een afspraak zoals door werknemer gesteld is gemaakt.

Dagvaarding werkgever
Werknemer heeft op 4 maart 2005 werkgeefster gedagvaard. Hij heeft in deze procedure − kort gezegd − gevorderd veroordeling van werkgeefster tot betaling van loon, wettelijke verhoging en wettelijke rente vanaf 25 januari 2005 totdat de dienstbetrekking rechtgeldig zal zijn beëindigd.

Uitspraak kantonrechter
Bij vonnis d.d. 5 oktober 2005 heeft de kantonrechter het ontslag op staande voet vernietigd, omdat het werknemer niet voldoende duidelijk zou zijn (geweest) wat de reden was voor zijn ontslag en de door werkgeefster gestelde dringende reden − verduistering − zou niet zijn komen vast te staan. Tegen dit vonnis heeft werkgeefster hoger beroep ingesteld.

Uitspraken gerechtshof en Hoge Raad
Het gerechtshof heeft aan de hand van de door werknemer tijdens de mondelinge behandeling bij de kantonrechter afgelegde verklaring geoordeeld dat hem wel duidelijk was dat hij wegens verduistering op staande voet was ontslagen, doordat hij op 24 januari 2005 inhoudelijk op deze beschuldiging had gereageerd.

Het gerechtshof achtte voorts van belang dat werknemer niet heeft ontkend een hogere prijs in rekening te hebben gebracht dan hij op de omzetstaten verantwoordde en dat hij het verschil in eigen zak stak. Als bevrijdend verweer (een “ja, maar”-verweer) heeft werknemer daar tegenovergesteld dat hij zo handelde omdat hij dat vijftien jaar eerder zou hebben afgesproken om een bedrag aan ‘vakantiegeld’ over te houden. Het onttrekken van gelden van de omzet van de aan een werknemer toevertrouwde winkelvoorraad, waarvoor werknemer als enige daar werkzame persoon verantwoordelijk is, is naar de mening van het gerechtshof verduistering en levert een dringende reden op. Dat zou alleen anders zijn indien partijen de afspraak zouden hebben gemaakt die werknemer stelt. Nu werkgeefster dit uitdrukkelijk heeft betwist, rust de bewijslast met betrekking tot het bestaan van de gestelde afspraak op werknemer. Doordat deze de door werkgeefster betwiste stelling niet heeft kunnen bewijzen, heeft het gerechtshof het bestreden vonnis vernietigd en vordering alsnog afgewezen.

De Hoge Raad heeft de uitspraak van het gerechtshof bekrachtigd.

Bron: Hoge Raad 17 oktober 2008, LJN BF0373

Gerelateerd nieuws

  • Geen gerelateerde berichten gevonden.

Meer uit deze rubriek