loading
views

Vakantiedagen binnen en buiten de flexbranche

21 juli 2010

Door Chris van Saarloos, werkzaam als analist bij FlexService

Wettelijke regels*
De Nederlandse wet kent aan alle werknemers in Nederland het recht op vakantie toe. Dat houdt in dat iedereen recht heeft op vrije dagen, betaald door de werkgever. Om die vakantie op een aangename manier te kunnen doorbrengen krijgt de werknemer daarnaast vakantiebijslag (in de wandeling meestal ‘vakantiegeld’ genoemd), een bedrag dat doorgaans in de maand mei wordt uitbetaald, voorafgaande aan de belangrijkste vakantieperiode.

Over vakantiegeld bestaat weinig misverstand. Het is gewoon een bedrag dat wordt opgespaard en dat de werkgever periodiek uitkeert als een bruto toelage bovenop het loon.

Anders ligt het met vakantiedagen. Er is vrije tijd mee gemoeid, en de doorbetaling daarvan in de vorm van salaris. Zowel de omvang en duur van de opneembare vrije dagen als de betaling daarvan door de werkgever zijn aan wettelijke regels gebonden.

Vakantiedagen als recht op vrije tijd
Met het oog op het welzijn van de werknemer heeft de wetgever bepaald, dat iedere werknemer de beschikking moet hebben over 20 vrije dagen per jaar bij een full time dienstverband, dan wel een evenredig deel daarvan bij een parttime dienstverband. De werknemer mag die vakantiedagen niet naar eigen goeddunken opnemen, maar moet daarover met de werkgever tot overeenstemming komen. Echter: iedereen mag gedurende een aaneengesloten periode van twee weken of tweemaal één week vakantie opnemen, voor zover het opgebouwde recht op vakantiedagen dat toelaat.

In principe mag een werknemer niet meer vakantiedagen opnemen dan waartoe op het moment van opname rechten zijn opgebouwd. Dit geldt óók voor een vast dienstverband, maar in de praktijk wordt hier meestal soepel mee omgegaan, en wordt het totale aantal vakantiedagen waarop de werknemer in een jaar (of minder, afhankelijk van de duur van het dienstverband) recht heeft als maximum gehanteerd, dit alles naar redelijkheid. Zo spreekt Artikel 27.4 van de NBBU CAO van een verbod op opname van vakantiedagen in de eerste twee maanden van het dienstverband, tenzij daarvoor expliciet toestemming is verleend.

Vakantiedagen als recht op uitbetaling
Binnen een vast dienstverband zal de normale salarisbetaling voorzien in de uitbetaling van de opgenomen vakantiedagen. De opgenomen vakantiedagen worden binnen de salarisadministratie of daar buiten geregistreerd, en verrekend met het opgebouwde tegoed. Er komt geen vorm van aparte uitbetaling aan te pas.

Binnen de flexbranche, met haar flexibele arbeidspatronen en beloningsstructuur op basis van gewerkte uren, ligt de uitbetalingsprocedure enigszins anders. Wil er werkelijk sprake zijn van vakantie- of snipperdagen op kosten van de werkgever, dan zullen deze ook apart uitbetaald moeten worden. Het opgebouwde recht aan vakantiedagen wordt dus altijd gewaardeerd in geld, en ook in die vorm uitgekeerd. In de loonadministratie wordt dan aangegeven op welke dag of dagen de vakantie-uren genoten zijn, en de uitbetaling in geld en uren wordt verrekend met het opgebouwde tegoed in geld en uren.

In de flex-wereld zal aan het opnemen van de wettelijk opgebouwde vakantiedagen dus altijd een uitbetaling verbonden zijn. Het is dan wel de bedoeling dat er ook sprake is van niet gewerkte uren of dagen.

Alleen bij beëindiging van het dienstverband mag een eventueel resterend tegoed aan vakantiedagen in geld worden uitgekeerd. Dit geldt ongeacht of er sprake is van een vast dienstverband of van een flexcontract. Ook bij een uitkering aan het einde van het dienstverband is er volgens de wet sprake van een soort quasi opname van vakantiedagen in tijd: de werknemer moet een verklaring krijgen waaruit blijkt ‘over welk tijdvak de werknemer bij het einde van de arbeidsovereenkomst nog aanspraak op vakantie heeft’ (BW 7 artikel 641.2); wanneer de werknemer daarna een nieuw dienstverband aangaat heeft hij/zij het wettelijk recht om deze dagen als vakantie zonder behoud van loon op te nemen gedurende het nieuwe dienstverband. (Zie ook de ABU CAO Hoofdstuk 7 de artikelen 12 en 13, die op dit wetsartikel gebaseerd zijn.)

In simpele woorden: bij uitbetaling van het resterende vakantiedagentegoed aan het eind van een dienstverband blijft het recht om de bijbehorende tijd als vakantie of snipperdagen op te nemen bestaan, en is een eventuele volgende werkgever verplicht de werknemer toe te staan om deze vakantiedagen alsnog te consumeren – uiteraard zonder betaling door de nieuwe werkgever.

Het is aan de lezer ter beoordeling in hoeverre deze bepaling, die in de praktijk feitelijk nooit werkelijk wordt gehanteerd, een dode letter is. In elk geval blijkt hieruit, dat het de wetgever veel aan gelegen is geweest te waarborgen dat het wettelijke recht op vakantie ook werkelijk in de vorm van vrije tijd wordt genoten.

Wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen
Bovenop het wettelijk bepaalde minimum aan vakantiedagen geven veel werkgevers een extra recht op vakantiedagen. In veel gevallen is dat ook in CAO’s vastgelegd. Deze extra vakantiedagen zijn de zogenaamde bovenwettelijke vakantiedagen. In tegenstelling tot de wettelijke vakantiedagen kunnen bovenwettelijke vakantiedagen in bepaalde situaties wel tijdens het dienstverband in geld worden uitbetaald, zonder dat er werkelijk van opname in vrije dagen sprake is. Dit kan uitsluitend met instemming van de werknemer. Ook kan in het arbeidscontract worden opgenomen dat in sommige gevallen ziektedagen ten koste gaan van bovenwettelijke vakantiedagen. En tenslotte bestaat de mogelijkheid om bovenwettelijke vakantiedagen uit voorgaande jaren te gebruiken voor een storting in de levensloopregeling.

Opbouw van het recht op vakantiedagen
Het door een werknemer opgebouwde recht op vakantiedagen is direct gerelateerd aan het aantal betaalde uren (of –periodes, bij een vast dienstverband). danwel aan het bijbehorende loon (‘feitelijk’ loon in CAO-termen), als je het in geld waardeert. Bij het wettelijk recht van 20 vakantiedagen per jaar komt dit neer op een percentage van circa 8,3 %, afhankelijk van het aantal werkbare dagen in het betreffende jaar.

Alles daarboven behoort tot het bovenwettelijke deel.

Wel is er een klein verschil tussen flexibele en vaste contracten in de opbouw van het recht op vakantiedagen. Bij contracten met uitzendbeding wordt het recht opgebouwd in geld als een percentage van het uitbetaalde loon, terwijl bij contracten zonder beding sprake is van opbouw in uren als een percentage van het aantal gewerkte uren. (De NBBU CAO voorziet overigens in alle gevallen in opbouw in geld.). In de praktijk maakt het niet veel uit, behalve dat een opgebouwd recht in uren in waarde verandert wanneer het uurloon aangepast wordt. Wanneer een flex-contract wordt opgevolgd door een contract voor bepaalde of onbepaalde tijd, wordt het recht op vakantiedagen in geld omgezet naar een overeenkomstig recht in tijd, gewaardeerd naar het uurloon van het nieuwe contract.

In geval van ziekte wordt de opbouw van vakantiedagen beperkt tot de laatste 26 weken van de ziekteperiode. Als er geen tussentijdse verandering in het salaris plaatsvindt komt dat erop neer, dat na de eerste 26 weken ziekte de opbouw van het recht op vakantiedagen stopt. Wanneer vervolgens sprake is van gedeeltelijk herstel worden er wel rechten op vakantiedagen opgebouwd over de dan gewerkte uren, echter niet over het uitbetaalde ziekengeld.

Opgebouwde rechten op vakantiedagen vervallen 5 jaar na de laatste kalenderdag van het jaar waarin de rechten zijn opgebouwd (BW artikel 7 642). Dit is een wettelijke termijn, waar geen contractuele uitzondering op mogelijk is. In de praktijk worden dus niet opgenomen vakantiedagen van het vorige jaar toegevoegd aan het tegoed van het nieuwe jaar. De oudste rechten worden geacht het eerst te worden opgenomen.

Opnemen van vakantiedagen in de praktijk
We hebben hierboven gezien dat de Nederlandse wetgever de wettelijke vakantiedagen ondubbelzinnig koppelt aan het opnemen van dagen waarop niet gewerkt wordt. Ook de vakbonden houden zeer strikt aan dit principe vast.

In de praktijk blijkt er echter op diverse fronten gemorreld te worden aan deze verplichting. Zowel voor werkgevers als werknemers zijn er situaties waarin het afkopen van vakantiedagen te verkiezen is boven het toekennen van vrije tijd.

Met name voor werknemers met een klein dienstverband kan het verleidelijk zijn om geld in de hand te krijgen voor een nieuw mobieltje, in plaats een vrije dag toe te voegen aan een soms toch al groot reservoir aan vrije tijd.

De pogingen om hierin verandering te brengen hebben al tot diverse juridische procedures geleid, waarin vooral de vakbonden zich tot de kampioen van de bescherming van het vrije-tijds-beginsel opwierpen.

Zo schreef het Ministerie van Sociale Zaken enkele jaren geleden in een brochure, dat wettelijke vakantiedagen die in een vorig jaar waren opgebouwd, afgekocht mochten worden in geld. Volgens het ministerie was het geen bezwaar om niet opgesoepeerde vakantiedagen uit een vorig jaar via de financiële weg te laten verdwijnen. Toen de FNV daartegen in het geweer kwam, trok de vakbond uiteindelijk bij het Europese Hof van Justitie aan het langste eind (2006, zaak C-124/05).

In het bedrijfsleven is vooral de supermarktsector al sinds 1999 actief met pogingen om vakantiedagen af te kopen. De eerste echt succesvolle poging was de zaak van Albert Heijn die dit voorjaar speelde bij de rechtbank in Haarlem. Albert Heijn betaalt aan werknemers met een klein dienstverband het zogenaamde all-in uurloon, waarbij alle reserveringen direct met het loon worden uitgekeerd. Albert Heijn won deze zaak door te stellen dat het uitbetaalmoment niet per se gekoppeld hoeft te zijn aan het opnemen van de vakantiedagen, en dat het concern een administratie hanteert waarin nauwkeurig bijgehouden wordt wanneer de werknemers snipperdagen en vakantiedagen opnemen, zodat aan het recht op vrije dagen niet getornd wordt. Dit element is een essentieel onderdeel in de argumentatie bij deze zaak geweest, dus het lijkt erop dat werkgevers die van het all-in uurloon-systeem gebruik willen maken er goed aan doen ervoor te zorgen dat de betrokken medewerkers aantoonbaar gebruik maken van hun recht op vrije dagen.

De vakbonden zijn overigens in beroep gegaan, dus het wachten is nu op het oordeel van de hogere rechters.

Het ligt voor de hand dat de ontwikkelingen op dit front in de flexbranche met grote interesse worden gevolgd.

* De ministerraad is op 18 juni akkoord gegaan met een wetsvoorstel die de vakantiewetgeving aanpast. Het wetsvoorstel moet nog voor advies naar de Raad van State. Pas na behandeling en goedkeuring in de Tweede en Eerste Kamer kan de wet in werking treden.
Meer hierover op de site van SZW »

Gerelateerd nieuws


Meer uit deze rubriek