loading
views

Ontslagbesluit afhankelijk van arbeidsovereenkomst


 
26 mei 2010

 

Inleiding – gedwongen ontslag
In geval van (slechte) bedrijfseconomische omstandigheden bestaat aan de zijde van de werkgever veelal de wens of noodzaak de arbeidsovereenkomst van één of meerdere werknemers te beëindigen. Indien de werknemer niet vrijwillig akkoord gaat met de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst, kan de werkgever het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) om een ontslagvergunning verzoeken. Indien het UWV zijn toestemming voor opzegging van de arbeidsverhouding wegens bedrijfseconomische redenen verleent, zal de werkgever in beginsel wel de wederindiensttredingsvoorwaarde van artikel 4:5 Ontslagbesluit in acht moeten nemen. Deze voorwaarde houdt in dat de werkgever bij verkrijging van de toestemming van het UWV tot opzegging van de arbeidsverhouding binnen 26 weken na de bekendmaking van die toestemming geen werknemer in dienst zal nemen voor het verrichten van werkzaamheden van dezelfde aard, dan nadat hij de werknemer voor wie de toestemming wordt verleend, in de gelegenheid heeft gesteld zijn vroegere werkzaamheden op de gebruikelijke voorwaarden te hervatten.

Feiten – ontslag wegens bedrijfseconomische redenen
In het onderhavige arrest heeft de werkgever na verkrijging van een ontslagvergunning van het UWV de arbeidsovereenkomst met de werknemer opgezegd wegens bedrijfseconomische redenen. Vervolgens heeft de werknemer in kort geding wedertewerkstelling in zijn vroegere werkzaamheden tegen de gebruikelijke arbeidsvoorwaarden gevorderd, omdat de werkgever ten onrechte de wederindiensttredingsvoorwaarde niet in acht zou hebben genomen door (het grootste deel van) zijn voormalige werkzaamheden, te weten de bediening van klanten in Duitsland, door een goedkopere andere kracht, zijnde een in Duitsland gevestigde (zelfstandige) agent, te laten verrichten. De kantonrechter heeft de werknemer in kort geding in het gelijk gesteld en artikel 4:5 Ontslagbesluit op die manier uitgelegd dat het sociaal onrechtvaardig ontslag voorkomt.

Vordering werkgever
Werkgever heeft tegen het vonnis in kort geding de grief aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de beëindiging van de arbeidsverhouding wordt geacht zonder toestemming van het UWV te zijn geschied, omdat de werkgever niet zou hebben voldaan aan de daarbij gestelde voorwaarde. Ten onrechte is daarop geconcludeerd dat de opzegging vernietigbaar is en de primaire vordering van de werknemer aldus voor toewijzing in aanmerking komt.

Beoordeling – wel of geen arbeidsovereenkomst
Het Hof oordeelt dat voor de uitleg van het doel en de strekking van artikel 4:5 Ontslagbesluit in overeenstemming met de Beleidsregels Ontslagtaak UWV (versie juni 2009) in beginsel aansluiting dient te worden gezocht bij artikel 7:610 Burgerlijk Wetboek (BW) waardoor in principe sprake moet zijn van een aangegane arbeidsovereenkomst. Voor de vraag of inderdaad sprake is van een arbeidsovereenkomst is van belang of tussen de werkgever en de in dienst tredende werknemer een gezagsverhouding bestaat.

Geen gezagsverhouding, ook geen uitzendkracht
Hier bepaalt de derde zelf hoe hij de desbetreffende werkzaamheden inricht en uitvoert, en handelt daarbij voor eigen rekening en risico. De derde kan niet als werknemer in de zin van het BW of artikel 4:5 Ontslagbesluit worden aangemerkt en van een gezagsverhouding is geen sprake. Het Hof geeft daarbij nog expliciet aan dat de handelsagent tevens niet kan worden aangemerkt als een uitzendkracht die zich heeft te houden aan de door de inlenende werkgever bij de uit te voeren werkzaamheden gegeven instructies en aanwijzingen in welk geval ook feitelijk sprake is van een gezagsverhouding. Het Hof oordeelt dat het de werkgever daartoe vrijstond om een deel van het takenpakket van de werknemer uit te besteden aan de derde en de werkgever de wederindiensttredingsvoorwaarde niet heeft geschonden.

De vorderingen van de werknemer worden alsnog afgewezen en de uitspraak van de kantonrechter wordt vernietigd.

Bronnen: Hof Arnhem 15 december 2009, LJN: BL9028, datum publicatie: 26 maart 2010.; Rechtbank Haarlem, Sector kanton – locatie Haarlem, 29 oktober 2008, LJN: BG2722

Gerelateerd nieuws

  • Geen gerelateerde berichten gevonden.

Meer uit deze rubriek