loading
views

Harry Vogels: uitzendbranche en cao’s (3)

25 augustus 2009


In een reeks artikelen belicht cao-expert Harry Vogels diverse aspecten van de cao’s voor de uitzendbranche.


Deel 3 – Andere cao’s die belangrijk zijn voor de uitzendbranche


De uitzendbranche in Nederland is een bijzondere branche als het gaat om cao’s. Het is niet alleen een van de jongste branches op cao-gebied, maar ook een van de meest complexe. Er zijn meerdere cao’s in de branche en een uitzendkracht kan ook te maken krijgen met cao’s van andere ondernemingen of bedrijfstakken.
In een zestal artikelen wordt ingegaan op deze bijzondere bedrijfstak, waarin onder andere aandacht zal worden besteed aan de cao-partijen, de cao’s in de branche, de cao’s elders waarmee de branche te maken heeft, de rol van de minister, de pensioenmaterie en de toekomst. > Zie deel 1 en deel 2 in deze serie.


Uitzendbureaus en de andere cao’s

Voor alle uitzendbureaus in Nederland geldt er een belangrijke wet, nl. de WET van 14 mei 1998, Stb. 1998, 306, houdende regels voor de niet-openbare arbeidsbemiddeling en het ter beschikking stellen van arbeidskrachten (Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs). Inwerkingtreding: 1 juli 1998 (Stb. 1998, 384).

Deze wet heet afgekort de Waadi en in deze Waadi staan belangrijke zaken over arbeidsvoorwaarden voor uitzendkrachten. Samengevat staat er in deze wet het volgende: Voor uitzendkrachten gelden de lonen en vergoedingen, die ook gelden voor andere werknemers bij de inlener, tenzij een cao bij het uitzendbureau of de inlener andere bepalingen omvat.

Probleem: cao bij de inlener én cao bij de uitlener
Er ontstaat pas echt een groot probleem als er zowel bij de inlener als bij de uitlener een cao van toepassing is, want op dat moment zijn er voor de uitzendkracht twee verschillende cao’s van toepassing en dat kan niet. Er ontstaat dan een botsing van cao’s en / of een ‘overlap van werkingssferen’, zoals dat juridisch formeel wordt genoemd. Het probleem van botsende cao’s is -volgens de ABU- groter en actueler dan het probleem met de ‘overlap van werkingssferen’. Er zijn volgens de ABU honderden bedrijfstak-cao’s en ondernemings-cao’s met bepalingen voor uitzendkrachten en deze kunnen botsen op de cao’s voor de uitzendkrachten. Verderop in dit artikel worden onder andere regelingen bij de Cao Banden- en Wielenbranche en de Cao Hoveniersbedrijf genoemd. Deze cao’s hebben afwijkende vakkrachtenregelingen en zijn niet gemeld bij de Beloningscommissie van de Cao ABU. Het zijn – volgens de ABU – botsende cao’s en hier zou gewerkt moeten worden aan oplossingen.

Bij ‘overlap van werkingssferen’’zal de minister bedrijfstak-cao’s niet algemeen verbindend verklaren. En dat vinden cao-partijen heel vervelend, ze bespreken dit onder andere in de Stichting van de Arbeid en trachten te komen met oplossingen. Zo komt de Stichting van de Arbeid met diverse aanbevelingen in 2001 en 2004 over cao’s en uitzendkrachten.

Aanbevelingen Stichting van de Arbeid in 2001
Een van de aanbevelingen uit 2001 geldt nog steeds en gaat over de werkingssfeer. Aanbevolen wordt namelijk om uitzendondernemingen die voor 100% uitzenden en meer dan 25% uitzenden in een of meer andere bedrijfstakken, niet onder de werkingssfeer van een bedrijfstak-cao te brengen.

Aanbevelingen Stichting van de Arbeid in 2004
Drie jaar later besluit de Stichting van de Arbeid weer aanbevelingen uit te doen gaan naar alle cao-partijen, naar aanleiding van een akkoord bij de Cao ABU 2004-2008 over de zogenaamde 26-wekentermijn. Aan cao-partijen van de inleenorganisaties wordt aanbevolen de eerste 26 weken geen eigen cao-regelingen op het gebied van lonen en vergoedingen overeen te komen voor de uitzendwerknemer. Deze aanbevelingen gelden niet voor vakkrachten. Aanbevolen wordt om bij de inleen-cao’s zelf vast te stellen welke uitzendkrachten als vakkrachten worden aangemerkt en dit aan te melden bij partijen bij de uitzend-cao(‘s).

Wat doen alle cao-partijen met deze aanbevelingen?
Uit een onderzoek in 100 bedrijfstak-cao’s blijkt dat in slechts in 5% van de cao’s de aanbevelingen exact zijn opgevolgd. In meer dan de helft van de cao’s worden helemaal geen afspraken over uitzendkrachten gemaakt. Dit betekent dat in deze bedrijfstakken de uitzend-cao’s in ieder geval van toepassing zijn. Voor uitzendkrachten van ABU-uitzendondernemingen geldt dan bijvoorbeeld dat in de eerste 26 weken de loonschalen van de Cao ABU gelden.

In bijna een kwart van de onderzochte cao’s is bepaald dat voor alle uitzendkrachten vanaf het begin van de inlening een of meer bepalingen van de eigen cao van toepassing zijn. In bijvoorbeeld de Cao Ziekenhuizen staat het volgende artikel:
‘Aan de arbeidskrachten die door een uitzendbureau ter beschikking worden gesteld aan een organisatie die onder de werkingssfeer van de Cao Ziekenhuizen valt, zal het uitzendbureau overeenkomstige arbeidsduur, lonen en overige vergoedingen toekennen als die welke worden toegekend aan werknemers werkzaam in gelijke of gelijkwaardige functies in dienst van de inlenende organisatie.’

Vakkrachten
Een van de aanbevelingen in 2004 is het maken van een onderscheid tussen vakkrachten en niet-vakkrachten in de eerste 26 weken. Een op de acht bedrijfstak-cao’s heeft hier iets mee gedaan, maar de aanbevelingen worden niet altijd opgevolgd. Ook houden cao-partijen zich vaak niet aan de vakkrachtenmelding uit de Cao ABU. Volgens de ABU zijn de meeste cao-partijen niet op de hoogte van deze vakkrachtenmelding vanaf 2004.
Een van de cao’s die afwijkt van de 26-weken termijn is de Cao Banden- en Wielenbranche. In deze cao lezen we het volgende:
‘Uitzendkrachten met een functie uit de functielijst in deze cao gelden als vakkracht. Zij hebben in grote lijnen dezelfde rechten en plichten als werknemers in vaste dienst. Ze kunnen alleen niet meedoen aan een pensioenregeling. Uitzendkrachten met een functie die niet voorkomt in de functielijst gelden drie maanden na hun aantreden ook als vakkracht. Vanaf dat moment gelden de cao-regels over salarissen, vergoedingen, werktijden etc. ook voor hen.’
Ook de Cao Hoveniersbedrijf kent een periode van 3 maanden voor niet-vakkrachten:
‘De bepalingen in deze cao met betrekking tot de arbeidstijden, lonen en overige vergoedingen zijn van overeenkomstige toepassing op uitzendkrachten. Daarbij geldt voor diegene die valt binnen loongroep I of II, als bedoeld in artikel 22, een wachttijd van 3 maanden. De werkgever bedingt bij het uitzendbureau de toepassing van de relevante bepalingen van deze cao en laat dit schriftelijk bevestigen. De uitzendkracht kan aan hetgeen hier vermeld, direct rechten ontlenen jegens het uitzendbureau.’

Bijzondere cao’s: Liever eigen arbeidskrachten dan uitzendkrachten
In een aantal bedrijfstak-CAO’s wordt min of meer bepaald dat de uitzendkracht na een bepaalde periode in dienst moet kunnen komen van de inlenende onderneming. Dit zijn

  • Cao Banden- en Wielenbranche:
  • ‘Na maximaal zes maanden via een uitzendbureau te hebben gewerkt, wordt een uitzendkracht in dienst genomen. Hij krijgt een arbeidscontract voor ten minste het aantal uren dat hij tijdens de uitzendperiode heeft gewerkt.’

  • Cao Contractcatering:
  • ‘Een specifieke formatieplaats op een locatie mag ten hoogste gedurende een half jaar worden ingevuld door een uitzendkracht. Hierna biedt de werkgever, indien de
    formatieplaats voorzienbaar blijft bestaan, een arbeidsovereenkomst aan, in volgorde aan een eigen werknemer, een medewerker uit de arbeidspool of een
    persoon daarbuiten, waaronder een uitzendkracht.’

  • Cao Houthandel:
  • ‘De werkgever dient uitzendkrachten die zes aaneengesloten maanden bij het bedrijf werkzaamheden hebben verricht aansluitend een vast of tijdelijk contract aan te bieden. De periode waarin er als uitzendkracht gewerkt is, wordt afgetrokken van de toegestane duur van het tijdelijk contract.’

  • Cao Mortel- en Morteltransportondernemingen:
  • ‘Het inhuren van uitzendkrachten dient zo veel mogelijk te worden vermeden. Indien een bedrijf in verband met tijdelijke drukke werkzaamheden gebruik moet maken van uitzendkrachten, dienen uitsluitend bonafide uitzendbureaus te worden ingeschakeld. Aan voltijd uitzendkrachten die langer dan 6 maanden door een werkgever zijn ingeleend, wordt door de betreffende werkgever een voltijd dienstverband voor bepaalde dan wel onbepaalde tijd aangeboden.’

  • CAO Parketvloerondernemingen:
  • ‘de werkgever dient aan een uitzendkracht, die na 1 januari 1999 drie aaneengesloten maanden werkzaamheden heeft verricht een tijdelijk of vast contract aan te bieden.’

Bedrijfstak bouw en de ABU en NBBU
De bouwnijverheid neemt een bijzondere positie in voor uitzendbureaus. Want voor een uitzendonderneming die voor meer dan 50% van de loonsom op jaarbasis arbeidskrachten ter beschikking stelt aan werkgevers in de bouw en die geen lid is van de ABU of NBBU geldt de volledige Cao Bouwnijverheid. In alle andere gevallen is de cao deels van toepassing. In deze bedrijfstak maken de ABU en NBBU dus afspraken met cao-partijen in de bouw.

De verscheidenheid en transparantie in cao-teksten
In dit artikel komt duidelijk naar voren dat de uitzendbranche te maken heeft met vele zeer uiteenlopende cao’s. Nederland is bepaald geen eenheidsworst op cao-gebied en honderden cao-partijen zijn uitermate actief om verschillende regelingen te bedenken, ook voor uitzendkrachten. In sommige cao’s is niets gedaan met de aanbevelingen met de Stichting van de Arbeid, in andere cao’s een beetje en in weer andere cao’s zijn de aanbevelingen precies opgevolgd.
Ieder uitzendbureau moet dus goed op de hoogte zijn van de inhoud van de cao(‘s) van de inlener. Dat was tot 1 januari 2006 nog een hele klus, omdat cao-teksten niet openbaar waren.
Maar op 14 februari 2005 stelde toenmalig D’66 Tweede Kamerlid Bert Bakker aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid diverse vragen over het achterhouden en vervolgens doorverkopen van cao-gegevens door ambtenaren van het ministerie. De minister beantwoordde deze vragen op 5 maart 2005 en eindigde met de opmerking: ‘Op enige termijn kan een ieder dus via internet alle aangemelde cao’s raadplegen’.
Dankzij de inspanningen van Bert Bakker zijn alle cao’s, zowel bedrijfstak-cao’s als ondernemings-cao’s vanaf 2006 gelukkig voor iedereen openbaar via de website van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid www.cao.szw.nl.

(wordt vervolgd)

Harry Vogels
www.caoadvies.nl


De Stichting van de Arbeid, opgericht in 1945, is het landelijk overlegorgaan van de centrale organisaties van zowel werkgevers als werknemers in Nederland.
In de Stichting zijn vertegenwoordigd: de Vereniging VNO-NCW, afkorting voor het Verbond Nederlandse Ondernemingen en het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (VNO-NCW), de Koninklijke Vereniging MKB-Nederland (MKB), de Federatie Land- en Tuinbouw-organisatie Nederland (LTO), de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV), het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV), de Vakcentrale voor Middengroepen en Hoger Personeel (MHP).


Gerelateerd nieuws

  • Geen gerelateerde berichten gevonden.

Meer uit deze rubriek