loading
views

Werkgever aansprakelijk voor schade van klant door onterechte aanhouding van winkelpersoneel?

8 juli 2009

Inleiding
Diefstal en oplichting, helaas heeft winkelpersoneel er maar al te vaak mee te maken. Maar wat gebeurt er als het personeel de ‘klant’ betrapt, vervolgens aanhoudt, aangifte doet bij de politie, de ‘klant’ door het openbaar ministerie wordt vervolgd en de klant uiteindelijk door de rechter wordt vrijgesproken? Kan de vrijspraak er dan voor zorgen dat de ‘klant’ vervolgens de werkgever op grond van een onrechtmatige daad aansprakelijk kan stellen voor immateriële schade, aangericht door zijn werknemers? Dit vraagstuk kwam aan de orde in de zaak van rechtbank Amsterdam van 20 mei 2009.

De feiten

Werknemers van een bekende Nederlandse drogisterijketen hebben op 9 april 2007 een klant aangehouden op verdenking van oplichting en de caissière heeft daarvan aangifte bij de politie gedaan. De klant werd verdacht van het retourneren van zogenaamde aangekochte artikelen, terwijl in werkelijkheid de goederen door de klant uit het winkelschap zijn gehaald. Op 17 september 2007 is er de strafzaak tegen de klant behandeld. De klant is toen vrijgesproken, omdat de rechter het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen vond. De klant heeft naar aanleiding van de vrijspraak werkgever aansprakelijk gesteld voor het onzorgvuldig handelen van zijn werknemers.

Vordering & Verweer
De klant vordert om werkgever te veroordelen tot een vergoeding van de door haar geleden immateriële schade voor een bedrag van € 30.000,– of een door de rechtbank te bepalen bedrag. Aan de vordering legt de klant ten grondslag, dat werkgever jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld. Het onrechtmatig handelen bestaat volgens de klant uit het ‘onbezonnen’ staande houden en het ‘lichtvaardig’ doen van aangifte van oplichting, althans het ‘lichtvaardig’ beschuldigen van de klant van oplichting. De werknemers zouden ten onrechte aangifte hebben gedaan en haar ten onrechte hebben laten oppakken. Daarnaast zouden de werknemers onzorgvuldig hebben gehandeld, omdat zij geen wederhoor hebben gepleegd en de werknemers niet nogmaals aan haar hebben gevraagd uiteen te zetten wat haar bedoeling was.
Volgens werkgever hebben de werknemers de klant er terecht van verdacht dat zij werkgever wilde oplichten door te proberen om producten terug te brengen die zij daarvoor uit het schap had gehaald en niet had betaald. De werknemers hebben de klant wel gewezen op het feit dat zij werd verdacht van oplichting en dat de politie was gebeld. De klant heeft destijds geen weerwoord gegeven. Volgens werkgever is er dan ook geen sprake van onzorgvuldig handelen van de werknemers.

Beoordeling
De rechtbank Amsterdam oordeelt eerst dat het feit dat de klant niet strafrechtelijk is veroordeeld, niet zonder meer met zich meebrengt dat werkgever onrechtmatig zou hebben gehandeld door het doen van aangifte. Ook in geval van vrijspraak kan er sprake zijn geweest van een ‘redelijke verdenking’.
Het gaat er voornamelijk om of op het moment van de aanhouding en het doen van aangifte er een redelijk vermoeden van schuld bestond. Werkgever heeft namelijk het recht om haar eigendommen te beschermen en in geval van verdenking van winkeldiefstal of oplichting aangifte te doen bij de politie. De rechtbank leidt uit de feiten en omstandigheden af dat de werknemers op juiste gronden een verdenking hebben gevestigd op de klant. De rechtbank ziet zich gesteund in deze conclusie door het feit dat het openbaar ministerie op basis van het volledige dossier heeft besloten om de klant te vervolgen. Zowel het openbaar ministerie als de werknemers vonden dat er sprake was van een redelijke verdenking. Volgens de rechtbank is er ook geen sprake van schending van wederhoor, omdat de werknemers wel het verhaal van de klant hebben aangehoord, maar volgens hen klopte dat verhaal niet.

De rechtbank komt tot de conclusie dat werknemers niet onzorgvuldig jegens de klant hebben gehandeld. De vorderingen van de klant worden dan ook afgewezen. Aan de vraag of werkgever bij een andersluidende conclusie aansprakelijk zou zijn geweest voor de door zijn werknemers aangerichte schade, komt de kantonrechter derhalve niet toe. Naar verwachting zou dat overigens op basis van artikel 6:170 BW wel het geval zijn.

Bron: www.rechtspraak.nl LJN BI9922, 12 juni 2009 en BI8757, 28 mei 2009

Gerelateerd nieuws

  • Geen gerelateerde berichten gevonden.

Meer uit deze rubriek