loading
views

Geldt opzegverbod na pensioengerechtigde leeftijd?

Juni 2009

Inleiding
De laatste tijd bestaat er in Nederland veel discussie over de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd van 65 naar 67 jaar. Daartoe zou men zich kunnen afvragen of het van rechtswege eindigen van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd nog wel wenselijk is. Deze opvatting wordt ondersteund door recente rechtspraak waaruit volgt dat dit niet automatisch dient te worden aangenomen. In de onderhavige uitspraak staat de vraag centraal of in dit specifieke geval de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van rechtswege is geëindigd bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd door werknemer.

De feiten

Werknemer is op 1 oktober 1995 als productiemedewerker voor onbepaalde tijd bij werkgeefster in dienst getreden. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Metaal en Technische Bedrijfstakken (“CAO”) van toepassing verklaard. Werknemer is thans 68 jaar oud. Na het bereiken van de 65-jarige leeftijd hebben partijen de arbeidsovereenkomst voortgezet. In mei 2008 is werknemer echter arbeidsongeschikt geraakt waardoor een terugkeer in zijn huidige functie bij werkgeefster volstrekt onmogelijk is.

Vordering werkgeefster
Werkgeefster vordert ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van gewichtige redenen, te weten veranderingen in de omstandigheden, zonder toekenning van een vergoeding aan werknemer. Onder verwijzing naar de toepasselijke bepalingen van de CAO stelt werkgeefster dat de arbeidsovereenkomst bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd door werknemer van rechtswege is geëindigd. Voorts verwijst werkgeefster naar een bepaling in de CAO waarin staat dat met een werknemer van 65 jaar of ouder een arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd kan worden aangegaan. Daartoe meent werkgeefster dat werknemer zijn werkzaamheden als gevolg van de werking van artikel 7:667 lid 1 Burgerlijk Wetboek (“BW”) voor bepaalde tijd heeft voortgezet. Uit dit artikel volgt namelijk dat een arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt wanneer de tijd bij overeenkomst, bij de wet of door het gebruik aangegeven, is verstreken. Van een andersluidende schriftelijke bepaling in de zin van artikel 7:667 lid 4 BW (de Ragetlie-regel) is geenszins sprake. Werknemer is daartoe naar mening van werkgeefster inmiddels werkzaam uit hoofde van een vierde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Hoewel artikel 7:668a lid 1 sub b BW inhoudt dat de arbeidsovereenkomst geldt te zijn aangegaan als voor onbepaalde tijd indien sprake is van een reeks van meer dan drie voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar opgevolgd met een tijdsperiode van minder dan drie maanden, mist deze bepaling hier toepassing doordat de CAO ten nadele van werknemer van deze bepaling afwijkt.

Verweer werknemer
Werknemer betwist de vordering van werkgeefster en verzoekt de kantonrechter de vordering van werkgeefster af te wijzen. Werknemer voert daarbij aan dat de arbeidsovereenkomst na het bereiken van de 65-jarige leeftijd van werknemer heeft voortgeduurd voor onbepaalde tijd. Een arbeidsovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan zou niet bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd kunnen eindigen om vervolgens voor bepaalde tijd te worden voortgezet. Het opzegverbod wegens ziekte van artikel 7:670, lid 1 BW gedurende de eerste twee jaar waarin werknemer arbeidsongeschikt is, staat voorts aan een rechtsgeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst in de weg.

Beoordeling
De kantonrechter heeft de wet en de CAO als uitgangspunt gehanteerd. In haar beoordeling volgt zij de argumentatie van werkgeefster. De arbeidsovereenkomst is op grond van de CAO en artikel 7:667 lid 1 BW van rechtswege geëindigd bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd door werknemer. De bestaande arbeidsovereenkomst wordt geacht er één te zijn voor bepaalde tijd. De kantonrechter oordeelt dan ook dat het ontbindingsverzoek geen verband houdt met een opzegverbod tijdens ziekte en het verzoek van werkgeefster wordt toegekend onder toekenning van een vergoeding aan werknemer van één maandsalaris.

Conclusie
In de onderhavige uitspraak heeft de kantonrechter geen aanleiding gezien om nader in te gaan op de door partijen opgeworpen stellingen die de maatschappelijke, sociale en financiële aspecten van een werknemer die na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd doorwerkt raken, nu de wet in combinatie met de CAO naar mening van de kantonrechter een volstrekt heldere uitkomst geven. De vraag blijft dan ook hoe de kantonrechter zou hebben geoordeeld indien er geen eenduidig antwoord uit de wet en CAO zou zijn gevolgd.

Bron: Ktr. Dordrecht 12 juni 2009, LJN: BI9086

Gerelateerd nieuws

  • Geen gerelateerde berichten gevonden.

Meer uit deze rubriek