loading
views

Jurisprudentie: kan een werkgever ‘internationale’ verkeersboetes verhalen op zijn chauffeurs?

Juni 2009

Inleiding
Op grond van artikel 7:661 BW is een werknemer, die bij de uitoefening van de arbeidsovereenkomst schade toebrengt aan de werkgever of aan een derde, waarvoor de werkgever aansprakelijk is, niet gehouden die schade te vergoeden, tenzij de schade een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid. In de zaak van kantonrechter Nijmegen van 17 april 2009 heeft de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden in Spanje en Frankrijk verkeersboetes opgelegd gekregen. Centraal staat de vraag of de werkgever gerechtigd is om deze verkeersboetes op de werknemer te verhalen of dat artikel 7:661 BW daaraan in de weg staat. De Hoge Raad overwoog op 13 juni 2008 dat de werkgever op grond van artikel 7:661 BW wel gerechtigd is verkeersboetes te verhalen op de werknemer. Houdt de kantonrechter Nijmegen zich aan deze uitspraak of overweegt hij bewust anders?

De feiten
Werknemer is vrachtwagenchauffeur koeltransport. Tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft werknemer verkeersboetes opgelegd gekregen voor de overtreding van de rijtijdenwet en voor overtreding van de regels voor gebruik van de tachograaf in Spanje en Frankrijk. Een tachograaf is een apparaat dat de snelheid van een voertuig meet en vastlegt. Dit wordt met name gebruikt bij vrachtwagens om te controleren of chauffeurs zich houden aan de regels met betrekking tot rij- en rusttijden. De tachograaf was in dit geval onbruikbaar, omdat de papierrol onbrak waar registratiebladen op moeten worden afgedrukt.
Het totale bedrag van deze boetes bedraagt € 6.102,–. Organisatie X is een organisatie die ten dienste van het beroepsgoederenverkeer, verkeersboetes die in het buitenland worden opgelegd, voorschiet en vervolgens factureert aan de vervoerder. Organisatie X heeft ook voor deze werknemer de verkeersboetes voorgeschoten en heeft de factuur voor de verkeersboetes gezonden aan werkgever.

Vordering & Verweer
Wie moet nu de verkeersboetes van het totale bedrag van € 6.102,– betalen?
Wat betreft de verkeersboete van € 4.601,– voor overtreding van de regels voor de tachograaf stelt werkgever zich op het standpunt, dat de werknemer – en dus niet de werkgever – verantwoordelijk is voor de aanwezigheid van de papierrol en een reserverol. De boete van € 1.501,– betreft overtreding van de rij- en rusttijdenregeling en werkgever stelt dat zij niet aansprakelijk is voor dergelijke boetes. Het verweer van de werknemer is niet opgenomen in deze uitspraak, maar reeds eerder in het tussenvonnis van 5 december 2008 besproken. Dit tussenvonnis is (nog) niet gepubliceerd.

Beoordeling
Voor de beantwoording van de vraag wie de verkeersboetes moet betalen, vindt de kantonrechter het bepaalde in artikel 7:661 lid 1 BW van belang. Daarin is bepaald, dat de werknemer die bij de uitvoering van de overeenkomst schade toebrengt aan de werkgever, daarvoor niet aansprakelijk is, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Afwijking van lid 1 is slechts mogelijk bij schriftelijke overeenkomst en slechts voor zover de werknemer daarvoor verzekerd is. Het staat vast dat het voor werknemer onmogelijk is zich te verzekeren tegen schade in de vorm van verkeersboetes. Wat betreft de boete voor de onbruikbaarheid van de tachograaf, verwijst de kantonrechter naar de artikelen in de EEG-verordening betreffende het controleapparaat in het wegvervoer. In die verordening is bepaald dat de werkgever en bestuurders moeten toezien op de juiste werking en het juiste gebruik van het apparaat en dat de werkgever voldoende registratiebladen moet verstrekken. Voor het ontbreken van de papierrol komt de kantonrechter tot het oordeel dat werkgever niet heeft toegezien op het juiste gebruik van de tachograaf. Uit artikel 7:661 BW volgt niet dat werknemer in de door werkgever geleden schade als gevolg van de boete hoeft bij te dragen.

De boete die opgelegd is vanwege overtreding van rij- en rusttijdenregelingen, leidt onder deze omstandigheden – gezien het in artikel 7:661 lid 1 BW bepaalde – tot het oordeel, dat de aard van de arbeidsovereenkomst meebrengt dat de werkgever de gevolgen moet dragen van geringe fouten die de werknemer in de uitvoering van zijn werkzaamheden maakt, juist voor een werknemer in de functie van chauffeur. Het gaat hier om een chauffeur in de koeltransport, en die moet zelfstandig beslissingen nemen en handelend optreden, waarbij kleine fouten grote gevolgen kunnen hebben. De boetes die opgelegd zijn voor overtredingen van rijtijdenwetgeving, zijn zo hoog dat het risico daarvan voorts niet geacht kan worden verwerkt te zijn in het tussen partijen overeengekomen loon. Uit niets blijkt volgens de kantonrechter dat werknemer zodanig in strijd heeft gehandeld met zijn arbeidsovereenkomst, dat de schade geacht moet worden het gevolg te zijn van zijn opzet of roekeloosheid. De schade kan daarom ook niet op werknemer worden verhaald. De vorderingen worden afgewezen.

Zie ter vergelijking de uitspraak van de Hoge Raad van 13 juni 2008 (Abvakabo/TPG Post)
In deze zaak ging het ook om de vraag of een werkgever gerechtigd is om verkeersboetes die door een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden zijn veroorzaakt, op deze werknemer te verhalen. Het gaat hier om verkeersboetes die op grond van artikel 5 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) aan de werkgever als kentekenhouder zijn opgelegd. De administratieve sanctie kan op deze manier dus worden opgelegd aan een ander dan degene die de overtreding in feite heeft begaan. Als de werkgever deze boete betaalt, is er sprake van een betaling voor een overtreding waaraan de werknemer zich heeft schuldig gemaakt. De Hoge Raad oordeelt in deze zaak, dat de omstandigheden van het geval met zich meebrengen dat de draagplichtigheid uit artikel 7:661 BW niet van toepassing is op door de werknemer veroorzaakte verkeersboetes. De werkgever mag de verkeersboetes die op grond van de WAHV aan hem worden opgelegd, verhalen op zijn werknemers. Kantonrechter Nijmegen komt dus tot een ander oordeel dan de Hoge Raad. De reden die de kantonrechter Nijmegen hiervoor geeft, is dat de boetes die door de Spaanse autoriteiten worden opgelegd, zo hoog zijn dat het risico daarvan niet kan worden geacht verdisconteerd te zijn in het tussen partijen overeengekomen loon. Reeds hierom is dit geval niet vergelijkbaar met een boete op grond van de hier te lande geldende WAHV-verkeersvoorschriften.

Bron: www.rechtspraak.nl, LJN-nr BI6548

Gerelateerd nieuws

  • Geen gerelateerde berichten gevonden.

Meer uit deze rubriek