loading
views

Jurisprudentie: arbeidsduur en vergoedingen

Augustus 2008

Parttime huisarts
Werkneemster is als huisarts in dienst bij werkgever, die ook huisarts is. De arbeidsomvang van werkneemster is 16 uur per week, ofwel 40 %. De CAO ‘Huisarts in dienst bij een huisarts 2006/2008’ is van toepassing op de arbeidsovereenkomst. Hoofdstuk 18 sub b van deze CAO bepaalt dat aan de werknemer een maximum budget toegekend wordt ten behoeve van alle werkelijk gemaakte persoonlijke kosten in het kader van de functie-uitoefening. Het budget wordt volledig toegekend indien een huisarts een dienstverband heeft van 20 uur of meer per week bij één werkgever. Bij een dienstverband van minder dan 20 uur per week bij één werkgever wordt het budget naar rato van het dienstverband toegekend.

CAO-passage en Burgerlijk Wetboek
Werkneemster stelt zich primair op het standpunt dat de bovengenoemde passage van hoofdstuk 18 sub b van de CAO nietig is wegens strijd met zowel art. 7:646 BW (geen onderscheid naar geslacht) als met art. 7:648 BW (geen onderscheid op grond van arbeidsduur). De kantonrechter concludeert dat toetsing van de primaire vordering aan art. 7:648 BW volstaat, omdat die toetsing tot dezelfde uitkomst behoort te leiden als toetsing aan art. 7:646 BW.

Onderscheid op grond van arbeidsduur
De vraag is nu of er onderscheid op grond van arbeidsduur gemaakt wordt door hoofdstuk 18 sub b van de CAO. De rechter oordeelt van wel, het is namelijk niet vanzelfsprekend dat iemand die tenminste 50 % werkt 100 % van het maximumbudget mag besteden en dat iemand met een lager deeltijdpercentage een pro rato vergoeding krijgt. Dit leidt tot onderscheid tussen deeltijdwerkers ten opzichte van elkaar. Als hiervoor geen objectieve rechtvaardigingsgrond is, is dit onderscheid ongeoorloofd.

CAO-clausule nadelig voor wie minder dan 50% werkt
Voorts gaat het budget om een vergoeding voor daadwerkelijk gemaakte kosten die noodzakelijk zijn om het vak te mogen uitoefenen. Die kosten zijn voor alle werknemers, ongeacht de omvang van het dienstverband, gelijk. De CAO-clausule maakt daarom volgens de kantonrechter voor werknemers die minder dan 50 % werken, een nadelig onderscheid.

Werkgever voert toepassing CAO aan
De werkgever voert ten eerste aan dat hij de CAO toegepast heeft en aanneemt dat de CAO-partijen aan criteria van legitimiteit, doelmatigheid en proportionaliteit hebben getoetst. De kantonrechter vindt dit geen rechtvaardigingsgrond: CAO-partijen kunnen niet rechtsgeldig afspraken maken die in strijd zijn met de gelijke behandelingswetgeving.

Budgettaire redenen geen rechtvaardiging
Ten tweede stelt de werkgever dat hij de regeling nodig acht om kleine dienstverbanden betaalbaar te houden. De kantonrechter acht ook dat doel niet legitiem: budgettaire redenen zijn geen rechtvaardiging voor verboden onderscheid.

Vergoedingen tegenover verdiencapaciteit
Het derde argument van de werkgever is dat de opleidingen ook ten goede komen aan de niet bij werkgever ingezette verdiencapaciteit. Met dit argument legt de werkgever een verband tussen de kosten van de opleidingen en het rendement dat hij ervan heeft. Voor opleidingen die niet noodzakelijk zijn voor de beroepsuitoefening is dit een legitiem argument, volgens de kantonrechter. Het in de CAO gekozen middel is echter niet passend voor dit doel, omdat de vergoeding voor dergelijke opleidingen niet voor alle huisartsen in dienst van een huisarts wordt berekend naar evenredigheid van de omvang van het dienstverband. Er wordt immers onderscheid gemaakt tussen deeltijdwerkers ten opzichte van elkaar. Voor noodzakelijke opleidingen gaat het rendementsargument niet op; het doel is niet legitiem. Voor dergelijke kosten geldt als uitgangspunt: vergoeding ongeacht arbeidsomvang. Het punt van de werkgever dat sommige werknemers opteren voor luxere of exotischer cursuslocaties dan nodig is, behoort in het kader van goed werknemer- en werkgeverschap te worden opgelost.

Vaste vergoeding ongeacht arbeidsduur
Onder werkelijke kosten van hoofdstuk 18 sub b van de CAO vallen naast kosten voor bij- en nascholing ook kosten voor communicatiemiddelen, lidmaatschappen en vakliteratuur. Voor communicatiemiddelen die samenhangen met het werk en lidmaatschappen, die mogelijk niet onmiddellijk samenhangen met het werk, maar door de CAO-partijen kennelijk wel van groot belang zijn geacht, heeft de kantonrechter bepaald dat de feitelijk gemaakte kosten in beginsel vergoed dienen te worden. De arbeidsomvang is alleen van belang voor zover deze de feitelijke hoogte van de onkosten mede bepaalt. De vakliteratuur ten slotte plaatst de kantonrechter op dezelfde lijn als de opleidingsfaciliteiten: een vergoeding voor het actueel houden van “de standaardset” impliceert een vaste vergoeding ongeacht de arbeidsduur; voor wat buiten die standaard valt lijkt weer tenminste een pro ratovergoeding aangewezen.

Recht op volledige vergoeding
Kortom: de kantonrechter concludeert dat hoofdstuk 18 sub b van de CAO ongerechtvaardigd onderscheid maakt op grond van verschil in arbeidsduur en daarom nietig is. De werkneemster heeft recht op de volledige vergoeding.

Bron: Rechtspraak.nl, onder nummer LJN: BD6846

Gerelateerd nieuws

  • Geen gerelateerde berichten gevonden.

Meer uit deze rubriek