loading
views

VOF aansprakelijk voor loonheffingschuld

2 augustus 2008

Een exploitant van een tuinbouwbedrijf is aanspakelijk gesteld voor de door een Pools vennootschap onbetaald gelaten loonheffing.

De rechtbank heeft onlangs op grond van de Invorderingswet 1990 (in samenhang met artikel 16 van de Wet financiering volksverzekeringen) geoordeeld dat de Belastingdienst terecht een inlener van Poolse arbeidskrachten aansprakelijk heeft gesteld voor de door de Poolse Vennootschap onbetaald gelaten loonheffing. De Belastingdienst heeft echter wel een te hoog bedrag gevorderd.

Situatie
Een VOF exploiteert een tuinbouwbedrijf en verbouwt onder meer aardbeien, die worden geoogst door Poolse arbeiders. Deze arbeiders zijn door de VOF geworven en in eerste instantie te werk gesteld bij een Poolse vennootschap. Nadat de VOF de benodigde tewerkstellingsvergunningen heeft verkregen, zijn de Poolse arbeiders in dienst van de VOF getreden. De VOF heeft haar aardbeien op stam verkocht aan de Poolse vennootschap. De inspecteur heeft de Poolse vennootschap als inhoudingsplichtige in de loonheffing betrokken, waaraan de Poolse vennootschap geen gevolg heeft gegeven. Daarna heeft de inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd, die ook niet is voldaan door de Poolse vennootschap. Vervolgens is de VOF door de inspecteur aansprakelijk gesteld voor een deel van deze aanslag.

Aansprakelijkstelling
De Belastingdienst stelde de VOF aansprakelijk voor € 24.005. Deze aansprakelijkstelling betreft € 21.820 aan nageheven loonbelasting en premie volksverzekeringen (loonheffing) vermeerderd met een bedrag van € 2.185 aan invorderingsrente ter zake van die nageheven loonheffing. De aansprakelijkstelling betreft een deel van de aan de Poolse Vennootschap opgelegde naheffingsaanslag loonheffing.

Zeggenschap
De werkzaamheden van de Poolse arbeiders (het plukken en waar nodig het bewerken van geplukte aardbeien) zijn voortgezet nadat de VOF tewerkstellingsvergunningen had gekregen en de Poolse werknemers zelf in dienst had genomen. De rechtbank acht aannemelijk dat de VOF steeds de zeggenschap heeft gehad over de werkzaamheden en besliste hoe het werk moest worden gedaan en de werkzaamheden controleerde.

Gezagsverhouding en toezicht
Er is in deze situatie sprake van inlening, aangezien de werknemers onder de leiding of het toezicht van de VOF werkzaamheden hebben verricht. Of er sprake is van leiding of toezicht, is mede afhankelijk van de aard en de omvang van de werkzaamheden. In dit geval zijn de werkzaamheden zo eenvoudig dat deze (nagenoeg) voor zich spreken, waardoor toezicht vrijwel achterwege kan blijven. De vraag is dan niet of er letterlijk toezicht wordt gehouden of leiding wordt gegeven, maar of er een zodanige gezagsverhouding bestaat dat sprake is van leiding en toezicht (volgens de Invorderingswet 1990). Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval geweest.

Werkgever moet seizoenarbeid aantonen
De rechter stelt verder dat inkomsten uit werkzaamheden die een inwoner van een land in dienstbetrekking verricht in een ander land (de werkstaat, in dit geval dus Nederland) daar mogen mogen worden belast. Het loon van werknemers mag worden belast in de woonstaat (hier: Polen) wanneer de werknemer gedurende minder dan 183 dagen in Nederland verblijft (binnen twaalf maanden in een belastingjaar). Hoewel het in de tuinbouwsector in beginsel vaak om seizoenarbeid gaat, heeft de inlener de verplichting om aannemelijk te maken dat en in hoeverre het maximum van 183 dagen van een werknemer niet is overschreden. De VOF heeft dit bewijs naar het oordeel van de rechtbank niet geleverd; zij heeft geen enkele informatie over de Poolse werknemers verstrekt.

Loonheffing toegestaan
Samengevat heeft de VOF steeds zeggenschap gehad over de werkzaamheden, was er sprake van een gezagsverhouding ten opzichte van de werknemers en is er geen seizoenarbeid aangetoond. Ten overstaan hiervan is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat Nederland gerechtigd was belasting te heffen over het loon van de Poolse werknemers.

Administratie personeel verlaagt belasting
De inlener is in beginsel ten volle aansprakelijk voor de loonbelasting die verschuldigd is in verband met het verrichten van de werkzaamheden door de werknemer van de uitlener, ook als deze loonbelasting berekend is met toepassing van het anoniementarief. De inlener moet de identiteit van de werknemers kunnen aantonen aan de hand van een door hemzelf bijgehouden administratie, waarin de naam, adres, woonplaatsgegevens, de geboortedatum, het sofinummer van de werknemer, een specificatie van de gewerkte uren en een kopie van het identiteitsbewijs zijn opgenomen. Dit kan tot verlaging van de hoogte van de aansprakelijkheid voor de inlener leiden. Deze verlaging kan al plaatsvinden ten tijde van de aansprakelijkstelling maar ook in de bezwaar- of (hoger) beroepsfase. Deze ‘tariefmatiging’ vindt niet plaats wanneer de inlener op de hoogte was of redelijkerwijs kon vermoeden dat de uitlener met anoniem (zwart) personeel werkte. De VOF heeft echter geen goede administratie bijgehouden en komt derhalve niet in aanmerking voor verlaging van de belasting.

Invorderingsrente
De VOF is tevens aansprakelijk gesteld voor de invorderingsrente. De rechter heeft echter geoordeeld dat dee Belastingdienst niet aannemelijk heeft gemaakt dat het belopen van die invorderingsrente aan de VOF te wijten is. De rechtbank acht de verklaring dat de VOF enkel tijdelijk oogst op stam aan de Poolse Vennootschap heeft verkocht omdat zij niet zelf tijdig aan personeel kon komen wel aannemelijk. Er is bovendien niet gebleken dat de VOF niet aan haar fiscale verplichtingen pleegt te voldoen. De marge tussen de door de Poolse Vennootschap te behalen verkoopprijzen en de betalingen aan de VOF, is ruim voldoende voor de betaling van loonheffing. Daarom kan de VOF niet aansprakelijk worden gesteld voor de invorderingsrente. Op grond hiervan is de aansprakelijkstelling verminderd tot een bedrag van € 17.596,37.

Bron: Rechtbank Breda, 27 juni 2008, AWB 06/4339

Gerelateerd nieuws

  • Geen gerelateerde berichten gevonden.

Meer uit deze rubriek