loading
views

Jurisprudentie: verkeersboetes werknemer

Juli 2008

Kentekenhouder
Sinds de inwerkingtreding van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) worden aan werkgevers administratieve sancties opgelegd voor gedragingen in strijd met verkeersvoorschriften, begaan door werknemers in een motorvoertuig waarvan de werkgever de eigenaar of houder is. Dit is wettelijk toegestaan. Indien namelijk niet aanstonds is vastgesteld wie de bestuurder is van het motorvoertuig waarmee de verkeersovertreding is begaan, kan op grond van artikel 5 WAHV de administratieve sanctie worden opgelegd aan de kentekenhouder. De administratieve sanctie kan op deze manier dus worden opgelegd aan een ander dan degene die de overtreding in feite heeft begaan. Voor de invoering van de WAHV kon, ingeval van een verkeersovertreding begaan door een bij de ontdekking van het feit onbekend gebleven bestuurder, de werkgever als eigenaar of houder van dat motorvoertuig aan bestraffing voor dat feit ontkomen door de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend te maken. De boete werd hierna aan de bestuurder (werknemer) opgelegd, zonder dat deze die boete behoudens bijzondere omstandigheden kon verhalen op de werkgever.

Boete voor werkgever of bestuurder?
De vraag of de kentekenhouder de administratieve sanctie kan verhalen op de bestuurder en, zo ja, in hoeverre dit mogelijk is, moet blijkens de wetsgeschiedenis worden beantwoord aan de hand van de tussen de kentekenhouder en de bestuurder geldende rechtsverhouding. Ingeval er sprake is van een arbeidsovereenkomst ex artikel 7:610 BW dient er te worden gekeken naar artikel 7:661 BW. Op grond van dit laatste artikel draagt in principe de werkgever de gevolgen van fouten die de werknemer tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden begaat. Indien de werkgever de schade (waaronder ook te verstaan boetes) wil verhalen op de betrokken werknemer, heeft de werkgever slechts twee mogelijkheden: (a) hij kan stellen dat de schade een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer of (b) hij kan stellen dat uit de omstandigheden van het geval voorvloeit dat de werknemer tot vergoeding van die schade is gehouden.

Uitspraak in zaak TPG Post Transport
Op 13 juni 2008 heeft de Hoge Raad zich uitgesproken over de vraag of de werkgever administratieve sancties ex artikel 5 WAHV, opgelegd wegens overschrijding van de maximumsnelheid door de werknemer, kan verhalen op de desbetreffende werknemer. Het betrof in deze een chauffeur in dienst bij TPG Post Transport (TPG), die tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden snelheidsovertredingen had begaan op 9 februari 2002 (56 km/u), op 17 juli 2002 (54 km/u) en op 22 augustus 2002 (61 km/u), telkens ter plaatse waar maximaal 50 km/u was toegestaan. Hiervoor zijn aan TPG administratieve sancties opgelegd van respectievelijk € 28,-, € 28,- en € 52,-. Het beleid van TPG ten aanzien van verkeersboetes is dat deze voor rekening van de chauffeurs komen.

Visie Hoge Raad
Op grond van de tweede uitzondering van artikel 7:661 BW (omstandigheden van het geval) staat de Hoge Raad verhaal van verkeersboetes op werknemers toe. Dit  in tegenstelling tot het Gerechtshof ongeacht de mate van overschrijding van de maximumsnelheid. Naar de mening van de Hoge Raad wijst niets er op dat de wetgever bij de invoering van de WAHV zou hebben beoogd dat de werkgever voortaan de boete zou moeten dragen, zonder dat deze de mogelijkheid zou hebben het betaalde bedrag  overeenkomstig de regels van het burgerlijk recht  te kunnen verhalen op de werknemer. De Hoge Raad acht hierbij van belang dat verkeersboetes door werknemers begaan in de uitoefening van hun werkzaamheden in vele gevallen aan henzelf worden opgelegd, hetzij omdat de overtreding is begaan met ‘de eigen auto’ hetzij omdat wél aanstonds kon worden vastgesteld wie de bestuurder was. Een wettelijke grondslag voor verhaal door de werknemer op de werkgever van die boetes ontbreekt in die gevallen, hoewel de Hoge Raad niet uitsluit dat de werkgever onder bijzondere omstandigheden op grond van artikel 7:611 BW (goed werkgeverschap) gehouden kan zijn een boete voor zijn rekening te nemen. Toepassing van de hoofdregel ex artikel 7:661 BW zou volgens de Hoge Raad leiden tot een in de verhouding werkgever-werknemer niet te verklaren onderscheid tussen enerzijds boetes die met toepassing van artikel 5 WAHV zijn opgelegd aan de werkgever en anderzijds boetes die op grond van die wet aan de werknemer zijn opgelegd. In beginsel zouden de eerste dan voor rekening van de werkgever blijven, maar de laatste voor rekening van de werknemer. De Hoge Raad acht een dergelijk onderscheid niet wenselijk.

Beleid stringent toepassen
Voor zover een werkgever dit niet al heeft geregeld, is het dus raadzaam alsnog een eenduidig beleid in toe voeren op grond waarvan verkeersboetes voortaan volledig voor rekening komen van de werknemers. In dat geval is het wenselijk om de werknemers hierover schriftelijk te informeren. Ook dient het beleid stringent te worden toegepast. Indien de werkgever op grond van artikel 5 WAHV een boete ontvangt, heeft hij alsdan de keuze om ofwel de werknemer de boete zelf te laten betalen ofwel de boete te betalen en dit bedrag op de werknemer te verhalen. Let wel dat bij het laatste verrekening op grond van artikel 7:632 BW beperkt mogelijk is.

Bron: Rechtspraak.nl LJN-nr BC8791

Gerelateerd nieuws

  • Geen gerelateerde berichten gevonden.

Meer uit deze rubriek