loading
views

SER: jonggehandicapten aan het werk

4 juni 2007

In haar ontwerpadvies stelt de SER dat overheid, onderwijs, werkgevers en werknemers meer moeten doen om jonggehandicapten aan passend werk te helpen. De Wajong, de uitkeringsregeling voor jonggehandicapten, stimuleert dit nu te weinig. Passend werk kan variërend van arbeidsmatige dagbesteding tot werken bij een reguliere werkgever en van werken als zelfstandige tot werken als vrijwilliger.

Veel mensen die van jongs af aan een functiebeperking hebben kunnen aan het werk, maar staan nu te veel buiten het arbeidsproces en daardoor maatschappelijk aan de kant. Er is maatwerk nodig om dit op te lossen. Institutionele belemmeringen moeten worden opgeruimd. School en werk kunnen veel beter dan nu naadloos op elkaar aansluiten. De Wajong moet volgens de SER blijven voorzien in een inkomen, maar daarnaast een meer activerende functie krijgen. De  SER zal deze boodschap op vrijdag 24 augustus a.s. in zijn openbare raadsvergadering zal vaststellen.

Maatschappelijk probleem
Het is zorgelijk dat een grote groep mensen met een functiebeperking geen werk heeft, aldus het ontwerpadvies. Het gaat om personen die al van jongs af aan een lichamelijke, verstandelijke of psychische handicap hebben. Het is nodig dat deze mensen kunnen meedoen in de samenleving. Dat geeft structuur aan het leven en levert inkomen en sociale contacten op. Daarbij moeten niet de beperkingen van deze mensen centraal staan, maar hun talenten. De groep jongeren met een functiebeperking groeit sterk en voor veel van hen dreigt duurzame werkloosheid. Waar nu ongeveer 150.000 jonggehandicapten een Wajong-uitkering ontvangen, is de verwachting dat dit aantal oploopt tot ongeveer 300.000 in 2040. Nu heeft 26 procent van de Wajongers werk. Betrokken organisaties en Wajongers zelf gaan ervan uit dat voor veel meer van hen passend werk mogelijk en gewenst is. De aantrekkende arbeidsmarkt kan daarbij helpen.

Maatwerk en minder belemmeringen
Met maatwerk is voor veel mensen met een functiebeperking een passende plaats op de arbeidsmarkt te vinden. Ieder individu met beperkingen heeft andere grenzen en kan andere talenten inzetten. Het ontwerpadvies bevat een ‘waaier’ aan mogelijkheden voor werk. Deze variëren van arbeidsmatige dagbesteding tot werken bij een reguliere werkgever en van werken als zelfstandige tot werken als vrijwilliger. Om voor iedereen een passende plaats te vinden moeten het voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs jongeren met een beperking al heel vroeg en meer dan tot nu toe voorbereiden op werk. Dat betekent bijvoorbeeld: een individueel opleidingsplan, beroepskeuzevoorlichting, assessments, specifieke trainingen en stages. Dat vraagt om extra inspanningen van het onderwijs en extra investeringen van de overheid. Regelingen van verschillende ministeries moeten daarbij zo worden ingericht dat ze tezamen een vloeiende overgang naar werk ondersteunen. Bovendien zouden de regelingen meer moeten activeren, aldus het ontwerpadvies.

Persoonlijk contact met werkgever nodig 
Voor een ‘match’ tussen een jongere met een beperking en een passende baan is persoonlijk contact met de werkgever van groot belang. Van werkgevers wordt daarbij flexibiliteit gevraagd en bereidheid tot aanpassingen, bijvoorbeeld in arbeidstijden, arbeidsomvang en functie-inhoud. De overheid moet werkgevers in de meerkosten die zij daarvoor maken, zoveel mogelijk tegemoet komen. Werknemers kunnen een bijdrage leveren door mensen met een functiebeperking in hun midden op te nemen en te ondersteunen. Dat alles kan er voor zorgen dat veel meer jongeren dan nu ook aan betaalde arbeid kunnen meedoen.

Procedure
Op dit moment wordt het ontwerpadvies besproken in de achterbannen van de centrale werkgevers- en werknemersorganisaties en bij een aantal maatschappelijke organisaties die bij de (participatie van) jonggehandicapten zijn betrokken. Het ontwerpadvies is opgesteld door een werkgroep van de SER onder voorzitterschap van Hans Kamps, plaatsvervangend kroonlid van de SER. Het is een reactie op een adviesaanvraag van 31 oktober 2006 van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Hij vroeg de SER hoe de deelname van Wajongers aan arbeid vergroot kan worden.

Bron: SER, 4 juni 2007

Gerelateerd nieuws

  • Geen gerelateerde berichten gevonden.

Meer uit deze rubriek